48 uur in Genua

Ontoegankelijk en chaotisch, zo oogt Genua voor wie er net arriveert. Maar op het tweede gezicht is dat juist de aantrekkingskracht, ontdekt Maartje Somers.

Waarom nu gaan?

Dat ligt eraan hoe je `nu' opvat. Genua is nog tot eind dit jaar culturele hoofdstad van Europa (net als Lille), wat allerlei fraaie tentoonstellingen oplevert die de stad anders niet kan betalen. Arti & Archittettura in het palazzo Ducale bijvoorbeeld, over de wisselwerking tussen architectuur en andere kunstvormen, van schilderkunst tot film, tussen 1900 en 2000. Geen ontkomen aan, overigens, deze expositie. Door de hele stad zijn billboards opgesteld met foto's van schilderijen en bouwwerken – alsof Genua zelf niet genoeg schatten heeft. Een vermakelijke gelegenheidsexpositie is ook die over het tijdperk van de grote oceaanstomers in het Museo del Mar, met schitterende filmpjes over het leven aan boord.

WAAROM OOK LATER NOG GAAN?

Voor wie `nu' wat ruimer opvat: de belangrijkste reden om deze jaren te gaan is dat Genua zich ergens halverwege bevindt in de transformatie van morsige industriestad naar glanzend cultuur- en toeristenwalhalla. Het oude havenfront is de afgelopen jaren gerenoveerd naar een ontwerp van Renzo Piano. Er liggen sfeervolle houten vlonders, er is een hypermodern zeeaquarium, en er is dat Museo del Mar in het oude arsenaal – zeg de moderne, multimediale versie van ons eigen Scheepvaartmuseum. Meer havenfrontspektakel voor de verwachte toeristenmassa's: Piano ontwierp een panoramische lift, en er is een installatie van bewegende zeilen die duidelijk bedoeld is als nieuw beeldmerk van de stad – á la de opera van Sydney of het Guggenheim in Bilbao. Maar pal boven al dit fraais loopt een anachronistisch aandoende snelweg op palen, die aangeeft wat deze stad nu nog vooral is: een ruige havenstad waar functionaliteit voorop staat, in plaats van toeristenesthetiek en consumentengemak. Al sinds eeuwen vergissen mensen zich daarom in Genua. `Zee zonder vis, heuvels zonder hout, mannen zonder eer, en vrouwen zonder schaamte', schreef Dante over de stad. Montesquieu omschreef Genua in zijn gedicht Adieux à Gênes als saai en afschuwelijk. Oppervlakkige conclusies, heren!

Wat te doen?

Ronddwalen door het grootste historische centrum van Europa, waarin gelukkig gewoon gewerkt en gewoond wordt. Overal naar binnen sluipen, en dat niet alleen in het centrum. Genua ligt als een schelp of een amphitheater aan de steile Ligurische kust; vanaf de vlakte rijst de stad soms 300 meter de hoogte in. Klim en zie hoe de stad zich uitstrekt totaan de blauwe zee. Weersta de verleiding om met de bus naar La Lampada te gaan, de vuurtoren uit 1543 die nu nog het beeldmerk van Genua is. Loop erheen, verdwaal in de havens en zie hoe in de buurt van dit historische monument nog een enorme kolenvergas installatie staat, met zijn vele pijpen en rood-witte geblokte muren een monument voor het tijdperk van de zware industrie. Ga vervolgens voor het contrast naar de Strada Nova (tegenwoordig Via Garibaldi), de straat waar de rijke kooplieden in de late renaissance hun paleizen lieten bouwen, ver van het havenvuil. De gouden eeuw lag voor de Genuezen ruwweg tussen 1550 en 1650, toen admiraal Andrea Doria de eeuwig ruziënde `alberghi' of stadsfacties wist te verenigen en een contract sloot met keizer Karel V. Rijke Genuese families leenden geld aan de Spanjaarden. De rente werd gebruikt voor de bouw van paleizen als forten, ongenaakbaar van buiten, vol pracht en praal van binnen. Zoveel is er sindsdien niet veranderd; in plaats van kooplieden bezitten banken tegenwoordig veel paleizen. Aanrader: het palazzo Doria waarin nu de Deutsche Bank zit. Omzeil de portiers in de hal en sluip naarboven; de trappenhuizen en bovenverdiepingen zijn ook de moeite waard. Andere paleizen zijn in bezit van de gemeente en als museum te bezoeken. Palazzo Rosso, palazzo Bianco en palazzo Tursi, om er een paar te noemen, hebben aan fresco's, spiegelzalen, marmer, daktuinen en fonteinen geen gebrek. Kunstschatten alom, schilderijen van Veronese tot Van Dyck, en de viool van Paganini, `de Guarneri del Gesú'.

Ook zeer de moeite waard zijn de wandelingen die de stad ooit heeft uitgezet in een eerdere poging toeristen te lokken. De borden zijn wat verbleekt, het Engels summier en niet vlekkeloos, maar wie alle wandelingen doet en alle uitleg leest ziet de stad groeien voor zijn ogen; van Etruskische nederzetting naar middeleeuwse haven naar machtige renaissancerepubliek naar negentiende-eeuwse industriestad.

Wat te zien?

In 48 uur is bovenstaande al nauwelijks te doen. Er is in Genua genoeg bezienswaardigs voor minstens twee weken. We noemen nog: Palazzo Ducale, het huis van Chistophorus Columbus in de Porta Soprana, de San-Lorenzo kathedraal, en de Loggia Mercanzia, een prachtig ijl handelsgebouw uit de vroege 19de eeuw, en nog een zwerm barokkerken. Wie na architectonisch geweld behoefte heeft aan less is more, spoede zich naar de romaanse San Donato.

Waar te eten? En wat?

Pasta-pesto is in Genua nogal onvermijdelijk. Eén keer is heerlijk - de smaak is in niets te vergelijken met het laffe kroos dat Nederlandse supermarkten onder de naam `pesto genovese' durven te verkopen. Meerdere keren is sterk af te raden, het goedje ligt nogal zwaar op de maag. Gelukkig zijn er voldoende alternatieven: ravioli met zeevis gevuld, trofiette (pasta van kastanjemeel), talloze soorten koekjes en zoetigheid, geconfijt fruit.

Het duurt zoals gezegd even om in deze stad door te dringen, en het labyrinth van middeleeuwse steegjes (`caruggi') kan s'avonds laat onbehaaglijk overkomen. Begin daarom met een goed café te zoeken, en vraag daar de clientèle waar ze graag eet. Houd hierbij rekening met tijdrovende uiteenzettingen. Volg de instructies nauwgezet, en wees niet verbaasd als u terechtkomt in een achterafkelder waar u als buitenlander - lees: iemand die dus geen verstand heeft van eten - slechts getolereerd wordt. Verman u. U zult heerlijk eten, als u tenminste niet aan tafel gaat voor een uur of tien, half elf, of - o, doodzonde! - cappucino bestelt na de maaltijd, zaken waarmee u zich zoals bekend in heel Italie hopeloos degradeert.

Een goed startcafé is Caffé degli Specchi aan de Salita Pollaiuoli, net ver van de San Lorenzo. Er zit op die plek al een bar sinds 1798, het interieur van spiegels en roomwitte porselijnen tegeltjes stamt uit de jaren twintig. Goede Genovese gewoonte: het serveren van zalige antipasti bij uw glas prosecco. Het ene bord na het andere. Gratis.

Winkelen

Aan winkels geen gebrek, maar in het centrum is het aanbod aan bijvoorbeeld kleding niet bijzonder. Maar wat dondert dat, als je fatsoenlijke espresso, onfatsoenlijk grote brokken parmezaanse kaas, funghi porcini voor de risotto, ansjovis en kappertjes op zout, en natuurlijk die pesto op elke straathoek kunt inslaan?

Hoe er te komen?

Alitalia vliegt vanaf Schiphol via Milaan of Rome naar Genua voor rond de 560 euro retour. Vanaf Brussel is het goedkoper: ongeveer 420 euro retour. Met de trein of auto is voor 48 uur nogal een mijl op zeven, maar natuurlijk heel goed mogelijk.