Zoeken naar de nietbroer

De eerste scène is de beste in Wouter van Oorschots Verkleed als mens. De hoofdpersoon is jarig, negentien wordt hij, wat de leeftijd is waarop zijn broer Guido acht jaar eerder een einde aan zijn leven maakte. 's Ochtends neemt de jarige het cadeau van zijn ouders in ontvangst, een designstoel, en drinkt hij koffie met zijn moeder. Hij wil iets aardigs tegen haar zeggen, en komt tot het pijnlijke: `Je kunt er zeker van zijn dat ik niet ook zelfmoord zal plegen.'

Verkleed als mens draagt als ondertitel `vertelling' maar heeft alle kenmerken van een klassieke autobiografie: hier probeert een auteur zo consciëntieus mogelijk op een rij te zetten wat de belangrijke mensen en momenten in zijn leven waren, hoe die zich tot elkaar verhouden en dus hoe hij is gevormd. In het geval van Wouter van Oorschot (1952) zijn dat de zelfmoord van zijn oudere broer Guido (`mijn nietbroer'), zijn seksuele verkenningen (hij hield zich voor `panseksueel'), een vader (en moeder) met wie moeilijk te praten viel, een ontdekkingsreis door geestverruimend Amsterdam van de jaren rond 1970 en, uiteindelijk, de opvolging van die vader in de uitgeverij, een liefdevol maar moeizaam huwelijk en de opvoeding van twee zoons.

Van die thema's is de oudere broer het voornaamste. Guido van Oorschot pleegde op 7 oktober 1963 zelfmoord door in de keuken de gaskraan open te draaien. Toen hij werd gevonden was het lichaam nog warm, wat later bij zijn broer Wouter leidt tot het vermoeden dat Guido niet werkelijk wilde sterven. Om begrijpelijke redenen kreeg de overgebleven, tweede zoon na de dood van zijn broer een fluwelen behandeling van zijn ouders. Weerwerk kwam er niet meer, vrijwel alles mocht. Over de dode werd gezwegen. Na de dood van zijn ouders (zijn moeder stierf in 1979, zijn vader in 1987) besloot Wouter van Oorschot op zoek te gaan naar zijn `niet-broer', via de psychiater van de familie en via mensen die Guido hadden gekend. Hij wil Guido `herscheppen', zodat die `opnieuw' kan sterven. Daarna zou het echte missen kunnen beginnen.

Of dat persoonlijke, therapeutische doel door de auteur bereikt is, valt voor een buitenstaander moeilijk te beoordelen, maar Wouter van Oorschot moet ook een literair doel voor ogen hebben gestaan. Want hij heeft zijn boek niet alleen geschreven, maar ook uitgegeven – bij zijn eigen uitgeverij G.A. van Oorschot. Daarmee treedt hij nu ook als schrijver in de voetsporen van zijn vader, die als R.J. Peskens autobiografische verhalen publiceerde.

Die literaire missie is gedeeltelijk geslaagd. De sterke kanten van Verkleed als mens zitten vooral in het begin, waarin Van Oorschot zijn jeugd beschrijft op een prettig onthaaste manier. Hij neemt de tijd voor zijn herinneringen aan de dagelijkse wandeling van huis naar school, een val in (en redding uit) de Amstel en het belang van de top veertig in zijn leven. Zo is er een lange, idiote maar ontwapenende uiteenzetting over de hitparade van 18 september 1965, met observaties als: `Een week later zou Miss Lonely dan wel naar negen gezakt blijken maar dat Satisfaction op die 18de september Help! van de eerste plaats verdrongen had, dat de Rolling Stones daarmee The Beatles voor het eerst de baas waren geworden, dat was niet minder dan lang verhoopte gerechtigheid. Vijf weken duurde die gelukzalige toestand.' Lang houdt hij Bob Dylan voor de emotionele plaatsvervanger van zijn dode broer.

Ook de beschrijvingen van de eerste seksuele verkenningen zijn mooi – bijvoorbeeld het `hoertje spelen' met verkleedkist en vriendje op zolder. Dan krijgt in Amsterdam de seksuele revolutie zijn beslag en wijdt de jonge Van Oorschot zich vrijwel volledig aan seks, drugs en muziek. Daar treden twee kenmerken van het boek op de voorgrond waar op zichzelf weinig mis mee is, maar die samen voor een ongelukkig resultaat zorgen. Het eerste is dat zijn seksuele ontwikkeling voor Wouter van Oorschot van cruciaal belang is geweest: zijn zoektocht naar (vooral) jonge vriendjes plaatst hij nadrukkelijk in het perspectief van de dode Guido: hij wilde voor anderen de oudere broer zijn die hijzelf nooit had gekend. Het tweede kenmerk is dat Van Oorschot, de tradities van de serieuze autobiografie indachtig, niets wil overslaan wat hem belangrijk lijkt. Het vervelende gevolg is dat je eindeloos lang wordt ondergedompeld in doorwaakte nachten, hasjwalmen en erotische avonturen die je steeds minder nieuws vertellen.

Ook de stijl van Van Oorschot – die het midden houdt tussen de zakelijkheid die veel Van Oorschot-auteurs kenmerkt en de invloed van `oom Gerard' Reve – wordt dan bij vlagen tenenkrommend puberaal, zoals in de passage: `Chrissie's aanbiddelijkheid drong zich opeens zo lijfelijk aan me op dat ik onder het rijden mijn ganse levensader te voorschijn trok en andermaal zorgvuldig over een scherpe rits drapeerde. Omdat deze stand, de zwaartekracht in aanmerking genomen, klefzeker was, liet ik het bij een kneding. Voor een offerandestop voelde ik niets.' Het is een hele opluchtig als de hoofdpersoon een paar pagina's verder zijn hart verliest aan een Franse serveerster, die de moeder van zijn zoons zal worden.

Tegen het einde herstelt Verkleed als mens zich enigszins, wanneer de conflicten van de hoofdpersoon met zijn vader en de dood van zijn ouders de volle aandacht opeisen. Ook hier toont Van Oorschot zich soms wat al te theatraal (dat heeft hij van zijn vader, zegt hij zelf), maar daar staan geslaagde passages tegenover, over de oude, stervende maar slechts bij vlagen milde Geert van Oorschot. Het portret van de vader doet je aan het slot van het boek bijna verlangen naar méér. Maar daarvoor is de herinnering aan het voorgaande toch te, eh, klefzeker gebleken.

Wouter van Oorschot: Verkleed als mens. Vertelling. G.A. van Oorschot, 504 blz. €22,50