Zeggen wat je denkt. En dan?

Behalve verdriet en woede overheerst in de reacties op de moord op Theo van Gogh de gedachte dat de vrijheid van meningsuiting in Nederland in gevaar is of zelfs dat deze met de dood van de columnist en eerder met die van Fortuyn, definitief om zeep is geholpen.

Die gedachte wordt op verschillende manieren verwoord. Zo is daar de vooral op de verschillende aan Van Gogh gewijde condoleancesites geponeerde stelling dat Fortuyn en Van Gogh de enige Nederlanders waren die voor hun mening uit durfden te komen. Nu ze vermoord zijn, zou niemand in Nederland zijn mond meer opendoen.

Dat is niet waar. Er zijn in Nederland veel mensen die voor hun mening uitkomen. De meningen die zij verwoorden komen niet overeen met die van Fortuyn of Van Gogh, maar het is onzin om op grond daarvan te constateren dat men niet zegt wat men werkelijk denkt. Dat zou namelijk impliceren dat iedere autochtone Nederlander precies hetzelfde denkt over de islam als beide vermoorde mannen deden, maar dat niemand dat durft toe te geven.

De reden waarom men zijn echte mening over moslims niet zou uitspreken is, zo wordt op de condoleancesites gesuggereerd, aan twee zaken te wijten. Men durft het niet, omdat men vreest hetzelfde lot te ondergaan als Fortuyn en Van Gogh (angst voor extremisten). Of men durft het niet, omdat men leeft onder het juk van de politiek correcte linkse kerk die iedereen die ook maar enigszins kritisch is over de islam, demoniseert. Dit laatste met name door parallellen te trekken met de Tweede Wereldoorlog en het fascisme.

Dergelijke vergelijkingen zijn gevaarlijk, zo suggereerde ook Van Gogh, en ze leiden uiteindelijk tot de legitimering van moord. Verzetshelden zijn voor Nederlanders belangrijke rolmodellen en daarom is iedereen die Fortuyn op enigerlei wijze in verband heeft gebracht met de boosdoeners van de Tweede Wereldoorlog, in feite schuldig aan zijn dood. Volkert van der G. zou zich door die vergelijkingen volgens Van Gogh geroepen hebben gevoeld in het verzet te gaan. Van der G. ging over tot een door het verzet gelegitimeerde (en daarmee met een met instemming van de politiek correcte gemeente uitgevoerde) liquidatie van een foute Nederlander.

Het ingewikkelde is dat veel voorvechters van het vrije woord zich net zo gemakkelijk bedienen van diezelfde vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog. Klaas de Vries werd door Van Gogh een schrijftafelmoordenaar genoemd. Een aantal columnisten en opiniemakers waren er, toen Paul Cliteur zich uit het debat over de multiculturele samenleving terugtrok, snel bij om zich de rol van verzetsstrijder toe te dichten en zij maakten ook vergelijkingen met de jaren dertig. Zo wordt het debat over de vrijheid van meningsuiting opeens knap verwarrend.

Dat wordt niet minder als de vraag wordt gesteld wat nu precies die veelgeprezen vrijheid van meningsuiting inhoudt. Alles zeggen wat je wilt, menen velen. Alles moet gezegd kunnen worden, stelde Theodor Holman onlangs nog toen hij in discussie trad met demonstranten van Nieuw Rechts. Zelfs de meest racistische opmerkingen. Maar als dat zo is, als de meest racistische opmerkingen gemaakt moeten kunnen worden omdat de vrijheid van meningsuiting het hoogste goed is, waarom zou je dan niet ook mensen mogen vergelijken met nazi's of fascisten? Waarom zouden dergelijke woorden niet deugen en de vergelijking van Marokkanen met kakkerlakken (op condoleance.nl) wel moeten kunnen worden gemaakt? Op de genoemde website worden protesten geuit tegen de verwijdering van racistische en tot geweld tegen moslims oproepende teksten. Nu mogen we weer niet zeggen wat we vinden, wordt door een aantal bezoekers gezegd. Dat krijg je als, zoals veel voorvechters van de vrije meningsuiting doen, de suggestie wordt gewekt dat iedere mening evenveel waard is. Maar dat is niet waar. Dat kunnen de soldaten van het vrije woord ook niet waarmaken.

Want waarom is het niet verkeerd om moslims de vijfde colonne van geitenneukers te noemen, maar wel verkeerd om te wijzen op de overeenkomsten tussen de beweging van Fortuyn en de NSB? Waarom zouden grappen over vermoorde joden of het suggereren dat een joods historica opgewonden wordt van Mengele wel van de ene persoon getolereerd moeten worden en kunnen vergelijkbare uitspraken van Marokkaanse jongeren niet door de beugel? Waarom moeten in het ene geval de uitspraken worden gezien als aardige pesterijen van een lieve schelm en in het andere als bedreigingen van de rechtsstaat? Waarom mag je jezelf wel een soldaat van het vrije woord noemen maar geen soldaat van Allah? Waarom zijn films een gelegitimeerd middel om je mening uit te dragen en een kledingstuk zoals een burqa niet?

Of is het allemaal toegestaan in het kader van de vrijheid van meningsuiting? Fortuyn meende dat je, als imam, homoseksuelen zondige varkens mag noemen. Als hij daar gelijk in had, hoe zit het dan met de lotgevallen van de onlangs teruggetreden kandidaat-eurocommissaris Buttiglione? Gaat het om een triomf voor de democratie of juist niet, omdat het een nederlaag is voor de vrijheid van meningsuiting?

Ik vind niet, zoals Holman, dat alle racistische opmerkingen moeten kunnen worden gemaakt. Ik denk dat racisme uiteindelijk geweld oproept. Maar misschien hecht ik te veel waarde aan woorden. Beledigingen, hoe kwetsend ook, kunnen niet dodelijk zijn. Leon de Winter stelt in Elsevier dat je er in deze samenleving woorden tegenover kunt stellen of een rechtszaak kunt beginnen. Maar hoe redelijk dat ook klinkt, het is niet waar. Niet iedereen beschikt over hetzelfde arsenaal woorden om zich teweer te stellen. Zoals kapitaal niet gelijkelijk verdeeld is, zo zijn verbale vaardigheden dat ook niet.

Met deze zin wilde ik dit stuk aanvankelijk eindigen. Maar dit einde voldoet niet langer. De brief die op het lichaam van Van Gogh is aangetroffen, de doodsbedreiging aan het adres van Hirsi Ali, is, anders dan ik had verwacht, uitstekend geformuleerd en duidelijk geschreven door iemand die wel degelijk zijn weg weet met en in de taal. Ik kan met de brief niet aantonen dat De Winter ongelijk heeft en wil desondanks zeggen wat ik nog steeds vind: met hard roepen dat je moet kunnen zeggen wat je denkt, ben je er in deze ernstige situatie niet. Maar wat nu?