Wegens succes geprolongeerd

Dat president Bush herkozen is, is nog geen reden voor wanhoop. De relatie tussen de Verenigde Staten en Europa, die op een dieptepunt is beland, kan eigenlijk alleen maar verbeteren, ook al kunnen niet alle kernproblemen worden opgelost.

George Bush herkozen, dat is slikken in Europa. De veronderstelde verlossing, een presidentschap van Kerry, is uitgebleven. Is de kans dat de Atlantische betrekkingen nog opgelapt kunnen worden nu helemaal verkeken? Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst worden vastgesteld wat er de afgelopen jaren precies is misgegaan. Philip Gordon en Jeremy Shapiro, medewerkers van het Brookings Institution, vervullen die opdracht in Allies at War op een voorbeeldige wijze.

De schrijvers noemen het Amerikaans-Europese conflict over Irak de ernstigste crisis in het westerse bondgenootschap sinds de Suez-kwestie in 1956. President Eisenhower dwong toen Frankrijk en Groot-Brittannië een einde te maken aan hun militaire interventie in Egypte. Hoe kan de ernst van de huidige problemen worden gepeild? Het gaat volgens Gordon en Shapiro om de vraag of de onenigheid over Irak het gevolg was van dieper liggende problemen in de transatlantische relatie of dat deze kwestie zelf de oorzaak is van een verwijdering die niet blijvend hoeft te zijn. Het laatste is volgens hen meer waar dan het eerste.

Er zijn genoeg redenen, aldus Gordon en Shapiro, om de ernst van het huidige Amerikaans-Europese conflict te relativeren. Al meer dan een halve eeuw is het Midden-Oosten voor de transatlantische verhouding een splijtzwam, die echter nooit tot een blijvende breuk heeft geleid. De oprichting van de staat Israël in 1948 dreef Washington en Londen uit elkaar, maar dat conflict verhinderde niet dat juist in deze periode het Westen een vuist begon te maken tegen de expansiedrang van Stalin. Na de Suez-crisis, die op termijn een nieuwe impuls gaf aan de Brits-Amerikaanse samenwerking, leidde de Oktoberoorlog van 1973 tot een heftig conflict tussen Amerika en de Europese Gemeenschap. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Kissinger riep openlijk uit dat de NAVO haar tijd had gehad. Maar ook die schade werd weer gerepareerd.

Aan de andere kant is het de vraag of dit herstel deze keer niet veel moeilijker zal zijn, nu de internationale verhoudingen sinds het einde van de Koude Oorlog zo drastisch zijn veranderd. De implosie van het Sovjetrijk betekende een succes voor de NAVO, maar sloeg tegelijkertijd het gemeenschappelijke belang weg dat het belangrijkste bindmiddel van deze organisatie was. Geschillen over het Midden-Oosten waren tegen die achtergrond voor de onderlinge relatie van secundair belang.

De transatlantische verhouding is nog moeilijker geworden na de aanslag van 11 september. Sindsdien worden Amerika en Europa gescheiden door een uiteenlopend oordeel over de ernst van de nieuwe dreiging. De terroristische aanval was voor de Verenigde Staten een unieke en schokkende ervaring. Het gevoel van kwetsbaarheid voedde bijna onweerstaanbaar de aandrang om met grootschalig geweld terug te slaan. Het monumentale optimisme, met zijn lange wortels in de Amerikaanse geschiedenis, leidde tot de conclusie dat van de nood een deugd kon worden gemaakt. President Bush koos voor een offensieve `grand strategy' die het hele Midden-Oosten zou moeten democratiseren.

De aanval op Irak zou de ontwikkeling in die regio alleen maar vooruit kunnen helpen, zo was de veronderstelling. De publieke opinie in Europa (ook in een land als Groot-Brittannië) keek er in meerderheid anders tegenaan. De steun voor de militaire actie die het Taliban-regime in Afghanistan uitschakelde, was ook in Europa groot. Voor Amerika was de succesvolle uitkomst van deze interventie een aanmoediging op de ingeslagen weg door te gaan, maar die conclusie werd in Europa afgewezen. Deels omdat een aantal Europese partners het regime van Saddam Hussein niet als een urgent probleem beschouwde, voor een ander deel omdat hun scepticisme de Europeanen influisterde dat een militaire interventie in Irak eerder negatieve dan positieve gevolgen zou hebben. Dit verschil van mening kon uitgroeien tot een transatlantische crisis doordat de regeringen van Frankrijk en Duitsland besloten actief leiding te geven aan Europees verzet tegen een Amerikaanse actie. Dat het zover kon komen, is volgens Gordon en Shapiro vooral toe te schrijven aan de misrekeningen en het wangedrag die de hoofdrolspelers aan beide zijden van de oceaan moeten worden aangerekend.

De Amerikaanse regering liet zich volgens de auteurs van Allies at War meeslepen door de arrogantie van de macht. Vooral minister van Defensie Rumsfeld, die tijdens de crisis een dominante publieke figuur werd, verloor elk gevoel voor politieke verhoudingen. Duitsland, dat zich tegen een militaire actie keerde, werd door hem vergeleken met Libië en Cuba. De regering van Groot-Brittannië, die de grootste moeite had om een binnenlands draagvlak te verwerven voor haar actieve steun aan een interventie, kreeg van Rumsfeld te horen dat haar hulp eventueel best gemist kon worden. Nadat vice-president Cheney al in het openbaar had verklaard dat er geen enkele twijfel bestond over de vraag of Saddam Hussein massavernietigingswapens bezat, bevestigde Rumsfeld zijn reputatie als volleerde specialist in bluf door van de daken te schreeuwen dat Amerika precies wist waar het dodelijke spul lag opgeslagen. In samenzang met Cheney bezwoer de minister van Defensie bovendien dat er contacten bestonden tussen Al-Qaeda en Saddam Hussein.

Maar ook president Bush grossierde volgens Gordon en Shapiro in hoogmoed. Weliswaar besloot hij op aandrang van minister van Buitenlandse Zaken Powell naar de Verenigde Naties te gaan om de diplomatie een kans te geven, maar hij maakte bij voorbaat duidelijk dat Amerika eventueel ook tegen de wil van de Veiligheidsraad militair zou ingrijpen. Deze houding sloot aan bij de reactie van de Amerikaanse regering op het eerdere aanbod van de NAVO-partners om na 11 september te assisteren bij de aanval op het Taliban-regime. Hartelijk dank voor uw solidariteit, zo luidde de boodschap uit Washington, maar we hebben liever geen bondgenoten die ons voor de voeten lopen. Washington had de ervaringen met de interventie in Kosovo nog vers in het geheugen. De Europese partners deden toen niets anders dan Amerika matigen in zijn militaire dadendrang. Daarom kregen de Europeanen telkens weer van Bush te horen dat ze overbodig waren. `De koers van deze natie', aldus de president, `hangt niet van anderen af'. Een `coalition of the willing' mocht eventueel in de marge bijstand verlenen.

Waar kwam deze combinatie van ambitie en bravoure vandaan? In America Alone wijzen de Amerikaanse journalist Stefan Halder en de Britse diplomaat Jonathan Clarke de neoconservatieven aan als aanstichters. Zij geven in hun boek een nuttig overzicht van de inmiddels dertigjarige geschiedenis van deze beweging. Bij de actualiteit aangeland krijgt America Alone echter meer het karakter van een politieke aanklacht dan van een serieuze analyse. De auteurs veroordelen de neoconservatieven als de samenzweerders die de regering-Bush op sleeptouw hebben genomen in een bizar avontuur. De neoconservatieven hebben volgens hen Amerika doelbewust in staat van oorlog gebracht.

Die conclusie wijst op een zware overschatting van de invloed die de `neocons' hebben gehad. De belangrijkste gangmakers van de interventie in Irak waren Rumsfeld en Cheney. Geen van beiden heeft een neoconservatieve achtergrond. De belangrijkste neoconservatieven in de regering-Bush spelen een rol op de tweede rang. Hun meest prominente vertegenwoordigers, Paul Wolfowitz en Douglas Feith, zijn onderminister van Defensie. Richard Perle, de ongekroonde koning van de neocons, is slechts een adviseur op de achtergrond. Bij de verklaring van de neoconservatieve invloed komen Halper en Clarke er dan ook niet helemaal uit. Bush nam de neoconservatieve agenda over, zo schrijven zij, `om onduidelijke redenen'.

Voor een verklaring van het presidentiële gedrag kan men het wijdlopige America Alone beter overslaan en te rade gaan bij het eerder verschenen, voortreffelijke Plan of Attack van Bob Woodward of het even overtuigende Rise of the Vulcans van James Mann. De daadkracht van president Bush werd gemobiliseerd door de schok van 11 september en zijn rotsvaste vertrouwen in de militaire kracht van Amerika. Bij zijn doelstelling het Midden-Oosten te democratiseren, werd Bush niet gemanipuleerd door de neoconservatieven, maar geïnspireerd door een lange Amerikaanse traditie die is verbonden met de naam van president Woodrow Wilson (1912-1920). Zijn voortvarende optreden is bovendien een karakterkwestie. Deze president wil graag uitblinken als een ambitieus en slagvaardig leider.

In Allies at War beschrijven Gordon en Shapiro hoezeer Bush zich vergiste in zijn verwachting dat daadkrachtig leiderschap voldoende zou zijn om de NAVO-partners in het gareel te krijgen. In een groot deel van Europa ontbrak niet alleen de overtuiging dat de aanval op Irak gewenst was, men meende bovendien ongestraft afstand van Amerika te kunnen nemen omdat de Europese veiligheidsbelangen door die houding niet in het geding kwamen. Duitsland verkeerde bovendien in de greep van de oorlogsangst. Kanselier Schröder exploiteerde dit volksgevoel om de verkiezingen te kunnen winnen. Een demonstratieve minachting voor de Amerikaanse president was een opvallend onderdeel van zijn strategie. Nadat minister van Justitie Däubler-Gmelin Bush met Hitler had vergeleken, stuurde Schröder de president een excuusbrief die door zijn halfhartigheid (`jammer dat u zich beledigd voelt') de schade eerder groter dan kleiner maakte. Vervolgens noemde hij Bush in een verkiezingstoespraak een avonturier. Met dit gedrag, zo schrijven Gordon en Shapiro, keerde Schröder zich niet alleen als eerste bondskanselier openlijk tegen Amerika, hij schiep bovendien een onheilspellend precedent door te laten zien hoe langs deze weg verkiezingen te winnen waren.

De Franse president Chirac nam aanvankelijk een heel ander standpunt in dan Schröder, die zich in eerste instantie met zijn verkiezingsstunt binnen het bondgenootschap isoleerde. Parijs werkte eind 2002 in de Verenigde Naties samen met Washington om Saddam te dwingen nieuwe wapeninspecties toe te laten op straffe van de `ernstige consequenties'. Al snel werd echter duidelijk dat deze coöperatieve houding in hoofdzaak was ingegeven door de ambitie de Verenigde Staten de handen te binden. Begin 2003 nam Chirac afstand van Washington, officieel omdat de Amerikaanse regering de wapeninspecteurs niet het krediet gaf dat zij volgens de Franse regering verdienden. De Franse president liet echter in een televisie-interview onomwonden weten wat zijn werkelijke motieven waren: Frankrijk trad in het krijt voor een `multipolaire wereld'. Obstructie van Amerikaanse politiek was voor de Fransen een doel op zichzelf. De oppositie in Europa tegen een mogelijke oorlog was inmiddels zo groot geworden, dat Chirac niet langer de verleiding kon weerstaan om het leiderschap van het verzet tegen Amerika van Schröder over te nemen. Europa laat zich er graag op voorstaan dat het de instrumenten van overleg en diplomatie beter beheerst dan Amerika, maar de Duitse en Franse regering zochten in de verhouding tot Washington de confrontatie.

Is de schade nog te repareren, nu Bush is herkozen? Gordon en Shapiro, die de uitslag nog niet kenden, zijn hoe dan ook gematigd optimistisch. De transatlantische verhouding zal belast blijven door het kernprobleem dat Europa invloed wil op het Amerikaanse gedrag, terwijl Washington geen Europees veto kan aanvaarden als de nationale veiligheid van Amerika wordt bedreigd. Aan de andere kant is er in de Iraakse crisis zoveel misgekleund, zo schrijven Gordon en Shapiro, dat alle betrokkenen in hun eigen belang een tweede echec van deze omvang zullen willen voorkomen. De opgedane ervaring is een krachtige aanmoediging om bij een volgende gelegenheid de transatlantische diplomatie meer kansen te geven. Hiervoor is wel nodig dat de herkozen Bush over de schaduw van zijn persoonlijkheid springt, wat geen eenvoudige opgave is. Meer Powell en minder Rumsfeld in zijn nieuwe regering zou al een hele stap vooruit zijn.

Die laatste verandering ligt voor de hand omdat in de Verenigde Staten inmiddels het besef is gegroeid dat een gebrek aan instemming bij belangrijke bondgenoten grote politieke en praktische nadelen heeft. De problemen bij de wederopbouw van Irak doen de Amerikaanse natie, die na deze verkiezingen nog meer dan voorheen tot op het bot is verdeeld, snakken naar bijstand. De tegenvallende omstandigheden dwingen Bush meer rekening te houden met de verlangens van de Europeanen. Dat mogen dan lastige bondgenoten zijn, betere zijn er voorlopig niet te vinden. China en India zijn de naties waarover in Amerika meer wordt gesproken dan over Europa, maar deze landen zijn nog lang geen potentiële partners, voorzover zij al de ambitie hebben dat ooit te worden. Veelzeggend is dat de leidende neoconservatief Robert Kagan de blik op Europa richtte toen hij dit voorjaar in Foreign Affairs opriep om de internationale legitimiteit van Amerika te versterken. Hij was de man die nog maar een jaar geleden in Of Power and Principle de kloof tussen de Atlantische partners vergeleek met de afstand tussen Mars en Venus.

Voor een herstel van de transatlantische schade zal Europa, zo beklemtonen Gordon en Shapiro, nog meer moeten opschuiven dan Amerika. We leven in het tijdperk van de Amerikaanse suprematie. Als dat niet onder ogen wordt gezien, veroordeelt Europa zichzelf tot irrelevantie of brengt het schade toe aan zijn eigen belangen. Daarom zullen de Europeanen zich moeten aanpassen aan de Amerikaanse overtuiging dat het zwaartepunt van de mondiale verhoudingen op dit moment in het Midden-Oosten ligt. Dat is nu juist de regio die ook al tijdens de Koude Oorlog een bron van transatlantische conflicten was.

Overeenstemming bereiken over de Atlantische koers in dat gebied is een hels karwei. Maar hoe men ook denkt over de Amerikaanse motieven om Irak aan te vallen, herstel van de stabiliteit in dit strategisch belangrijke land is minstens zozeer een Europees als een Amerikaans belang. De verkiezingen die over twee maanden in Irak zullen plaatsvinden, bieden waarschijnlijk de laatste kans om het gewelddadige tij te keren. De weigering van landen als Frankrijk en Duitsland om de troepen te sturen die hard nodig zijn om de electorale gang van zaken in goede banen te leiden, getuigt van een koppigheid die gewoonlijk aan Bush wordt toegeschreven.

Wil het nog iets worden met de transatlantische samenwerking, dan zal Europa moeten erkennen dat de Amerikaanse angst voor terrorisme en voor de proliferatie van massavernietigingswapens reëel is. De videobeelden van Bin Laden, een paar dagen voor de Amerikaanse verkiezingen, waren onheilspellend genoeg. Terwijl de crisis in Irak voortduurt, staat de Atlantische verhouding al voor de volgende testcase. Er zal een compromis moeten worden gevonden tussen Europa en Amerika over de wijze waarop Iran, dat anders dan Irak wél contacten met terroristische groeperingen onderhoudt en bovendien de ambitie heeft een nucleaire mogendheid te worden, in toom kan worden gehouden.

Is het optimisme van Gordon en Shapiro over de toekomst van de Atlantische samenwerking geechtvaardigd? Is de NAVO nog te redden? De positie van Duitsland, de belangrijkste natie op het Europese continent, maakt duidelijk in welke richting de transatlantische ontwikkelingen gaan. In Afghanistan levert het land een meer dan proportionele bijdrage aan de stabiliteit, in Irak geven de Duitsers niet thuis. Dit is veiligheidspolitiek à la carte, het spiegelbeeld van de Amerikaanse voorkeur voor `coalitions of the willing'. Kan je dan nog van een bondgenootschap spreken?

De transatlantische verhoudingen worden bepaald door verwarrende paradoxen. De Duitsers gingen voorop in het Europese verlangen naar de verkiezing van Kerry. Maar deze kandidaat kondigde tijdens de campagne aan welke bijdrage hij de Europeanen zou vragen om de transatlantische band te herstellen: 20.000 Europese soldaten voor Irak. Zou men in Berlijn toch niet stilletjes feest vieren, nu Bush herkozen is?

Philip H. Gordon en Jeremy Shapiro: Allies at War. America, Europe, And the Crisis over Iraq. McGraw-Hill, 266 blz. €21,44

Stefan Halper en Jonathan Clarke: America Alone. The Neo-Conservatives and the Global Order. Cambridge University Press, 369 blz. €32,50