Passagier in eigen auto

Op het parcours van de slipcursus blijkt een snelheid van 35 kilometer per uur ineens heel hard te zijn. De ontnuchterende ervaring van een dag slippen op de oefenbanen van de ANWB en Rob Slotemaker.

De opdracht is eenvoudig. Rijd met een snelheid van 45 kilometer per uur het natte, witgeverfde asfalt op en stuur dertig meter verderop om een obstakel heen. Op de achtergrond brullen de motoren van een raceteam dat oefent op het naast de slipbaan gelegen circuit van Zandvoort. Het zicht is goed, de baan is leeg, de ochtend is nog jong.

Toch lukt het bijna niemand van ons, deelnemers aan deze `antislipcursus', op een mooie maandagmorgen dit najaar. De auto raakt bij het uitwijken in een slip, de achterbanden besluiten de voorbanden in te halen, de wagen tolt volledig rond en komt pas weer buiten de baan tot stilstand. Sturen, remmen, ontkoppelen, en alle drie tegelijk – niets helpt, de auto doet wat hij wil. De cursist is een onmachtige passagier in zijn eigen auto.

Een van de weinigen die al de eerste keer wel netjes om de rode pionnen op het asfalt heensturen, is de negentienjarige Joyce van Doesburg uit Geldermalsen. Ze kreeg de cursus als bonus van haar rijschool omdat ze een pakket rijlessen had genomen en in één keer was geslaagd. Vrouwen doen het aan het begin van de cursus meestal beter dan mannen, zo vertellen de instructeurs, omdat ze in het algemeen voorzichtiger zijn en rustiger rijden. Maar Van Doesburg bleek ook al te beschikken over een belangrijke vaardigheid: ze kijkt waar ze heen wil. Dat heeft ze geleerd met paardrijden. Net als paarden hebben auto's de neiging om de ogen van de chauffeur te volgen.

Kijken. Rustig blijven. En één ding tegelijk doen: óf sturen, óf remmen. Dat zijn de drie lessen van twee dagen remmen en slippen, één dag op Slotemakers baan in Zandvoort en één op het test- en trainingscentrum van de ANWB Lelystad.

In Zandvoort wordt na de lunch een filmpje vertoond van oprichter Rob Slotemaker die in de jaren zeventig voor een tv-programma een demonstratie geeft op een besneeuwd circuit. Hij zet in iedere bocht de auto, een oude BMW zonder gordels, helemaal dwars. En dit najaar, 25 jaar na de dood van de coureur op het circuit, gaven ook zijn instructeurs op de `Rob Slotemaker memorial' een demonstratie wat professionals die hun wagen volledig beheersen, zoal kunnen: een reeks slips van 180 en 360 graden in een ballet voor twee auto's.

Een antislipcurus blijkt weinig te maken te hebben met het zo hard mogelijk door een bocht heen schuiven. We leren vooral hoe we een slip kunnen voorkomen. En hoe we zo goed mogelijk uit een slip komen als de auto in een bocht van een oprit of op een stuk wegdek met bladeren plotseling zijn grip zou verliezen. ,,In één dag leren slippen is nog nooit iemand gelukt'', zegt instructeur Raymond Hulstein van de ANWB aan het einde van de dag. ,,Maar zelfs als alle oefeningen mislukken, ziet u nu waar de gevaren zijn. En wordt u voorzichtiger. Als u de snelheid aanpast aan de omstandigheden, dan doet de auto alles wat u wilt. Zoekt u het grensgebied op, dan wordt het ingewikkeld.''

Na theorieles een een film is het tijd voor vier oefeningen op het circuit. Bij de ANWB staat de instructeur buiten de auto en geeft hij aanwijzingen via een portofoon. Bij Slotemakers slipschool zit de instructeur voorin naast de chauffeur. We zitten met drie of vier cursisten in een auto – bij de ANWB een Volkswagen Golf of Passat, bij Slotemakers een Opel Astra – en nemen om de beurt plaats achter het stuur.

Eenmaal in de auto begint de instructie met de zithouding. De autoriem moet strak zitten en mag niet onder je arm (die zou bij een botsing eraf kunnen worden gesneden) of te hoog in de nek (dan kan die je halsslagader opensnijden). De handen moeten op kwart voor drie op het stuur. Wat we vroeger op rijles hebben geleerd, om de handen op tien voor twee op het stuur teleggen, gaat sinds de komst van de airbag niet meer op: door de airbag kunnen je handen heel hard tegen je gezicht klappen.

De eerste oefeningen gaan over remmen. In Lelystad worden we meteen wakker geschud in een omgekeerde hellingproef. Het is de bedoeling dat we met 35 kilometer per uur van een lichte helling over spekglad asfalt naar beneden rijden en een obstakel ontwijken. Dan blijkt hoe hard 35 kilometer per uur is. Want de eerste keren trappen we nog op de rem én op de koppeling én rukken we aan het stuur. De auto schuift dwars door de muur van water die als een fontein uit de grond spuit. Het is een levensechte botsing waarbij alleen de klap uitblijft. Enigszins beduusd komen we midden op het parcours tot stilstand.

Remmen én sturen mag niet tegelijk, zo blijkt. Dat wordt later op de dag ook duidelijk bij het uitwijken op gewoon asfalt met een snelheid van 70 kilometer per uur. Het is flink oefenen voordat de juiste volgorde van handelingen erin zit. Als er nog ruimte is, mag je eerst remmen. Maar het kost veel wilskracht om – terwijl de auto voortraast op weg naar de watermuur – heel bewust het rempedaal los te laten en te sturen.

Ook alleen remmen op een rechte weg valt tegen. De natuurlijke reactie is zo hard mogelijk de rempedaal in te trappen. Maar om zo snel mogelijk stil te staan, moet het juist voorzichtig. De voet moet de rempedaal millimeter voor millimeter indrukken. De remmen werken het beste vlak voordat ze het blokkeerpunt bereiken. Als de wielen blokkeren gaat de auto over de weg schuiven en glijdt hij als een slee over vier stukjes rubber ter grootte van een schoenzool. Dan is de auto onbestuurbaar.

Het ouderwetse `pompend remmen' blijkt een achterhaalde tip. Bij hard intrappen van de rem, blokkeren de wielen; bij het weer helemaal loslaten van de rem gaan de wielen weliswaar weer rollen, maar moet vervolgens het remmen helemaal opnieuw beginnen. Dat kost tijd, en dus meters.

De meeste moderne auto's hebben tegenwoordig ABS, een elektronisch hulpmiddel dat ingrijpt zodra de wielen tijdens het remmen blokkeren. Om het verschil te ervaren, wordt tijdens de oefeningen het ABS eerst uitgeschakeld. Maar ook met ABS blijft het recept hetzelfde: de auto komt meters eerder tot stilstand als je precies tegen het blokkeerpunt aan zit met je remvoet.

Voor een `noodstop' blijken beide cursussen een verschillend recept te hebben. In Zandvoort adviseren de instructeurs om te proberen beheerst te remmen. Bij de ANWB luidt het advies bij auto's met ABS: trap de rem zo hard mogelijk in. ,,Dat levert in praktijk de kortste remweg op omdat bijna niemand is staat is in paniek tegen blokkeren aan te remmen'', zegt Matthieu Stam van de ANWB.

Een noodstop met hard intrappen is overigens een oefening die iedereen gratis kan doen op een lege parkeerplaats. En het is zeker aan te raden. De auto begint vreselijk te kreunen en kraken onder het geweld van het ABS-systeem, alsof het hele onderstel uit elkaar dreigt te vallen, waardoor je juist weer de aanvechting krijgt om de rem los te laten.

De derde variatie op het thema wagenbeheersing is de echte slip. De meeste gewone auto's hebben voorwielaandrijving en zijn zo ontworpen dat ze `onderstuurd' zijn. Als ze hun grip verliezen – te hoge snelheid, slechte weersomstandigheden, onverwachts uitwijken – hebben ze de neiging rechtdoor te rijden. Ze maken een voorwielslip. De auto botst dan met de neus tegen de boom aan de kant van de weg. Dat is een stuk veiliger dan een achterwielslip, waarbij de auto `overstuurd' is, en de achterkant naar voren komt. Als de auto dan een boom tegenkomt, raakt die meestal de zijkant en krult de auto zich daar om heen. Veel gevaarlijker.

In Lelystad worden de slips veroorzaakt door een hydraulische plaat die de achterwielen een zwiep naar links of naar rechts geeft. In Zandvoort zorgt de instructeur met de handrem voor de slips. De eerste slips zijn volledig onbeersbaar. Vooral omdat je voeten, als de auto raar gaat doen, zo snel mogelijk het rempedaal willen opzoeken. Dat moet juist niet. Het is wederom óf remmen óf sturen. Remmen mag dus pas als de hele slipbeweging voorbij is. Niet alleen de eerste slip, maar – omdat de auto als een slinger achter zijn voorwielen aangaat – ook de eventuele daaropvolgende slips.

Bij een achterwielslip moet de chauffeur snel `tegensturen' zodat de voorwielen in de gewenste rijrichting blijven staan. Dat lukt alleen als de chauffeur tijdens de slip erin slaagt te blijven kijken naar het punt waar hij met de auto heen wil.

Misschien wel de leukste oefening is `de rotonde'. Daar ga je de grenzen opzoeken van wat de auto kan. Je kunt daar precies voelen wanneer de auto met zijn voorwielen rechtdoor wil, en wanneer de achterwielen voorbij dreigen te komen. Bovendien passen de meeste cursisten aan het einde van de dag hun snelheid automatisch aan, en ligt die op de rotonde dus zo laag dat er tijd is om de bewegingen van de auto op te vangen en te voorkomen dat hij in een echte slip komt.

,,Je leert je angst kennen'', zegt Joyce van Doesburg over de cursus. ,,En je leert wat je moet doen als je in zo'n situatie terechtkomt.'' Aan het einde van de dag, zeggen de instructeurs, zijn ook de mannen wijs geworden en rijden ze net zo voorzichtig als vrouwen.

,,Ze zouden deze cursus eigenlijk verplicht moeten stellen voor het rijbewijs'', zegt haar vader, Dinus van Doesburg, die zeventien jaar op een vrachtwagen heeft gereden. ,,Om bij jongeren het valse gevoel van veiligheid weg te nemen. Als je hier aan het slippen bent, merk je pas dat je in sommige situaties gewoon niets te vertellen hebt in je auto.''