Overgeleverd aan de huftertjes

Een paar jaar geleden waren er weer van die bloedstollende berichtjes in de dagbladen, terughoudend gebracht om niemand meer te kwetsen dan nodig was, maar indringend genoeg om er een wereld van onoverkomelijk leed achter te vermoeden. Het betrof een leerling van het Amsterdamse Barlaeus gymnasium die tijdens een begeleide survivaltocht in Frankrijk overleed na een ongelukkige sprong. Als krantenlezer sta je stil bij de gevolgen van zo'n ongeluk, je probeert je te verplaatsen in de ouders van het kind en de begeleiders. Je breekt je het hoofd over de schuldvraag en de uitwerking van een dergelijke schok op de overige deelnemers aan de reis, zonder echt te kunnen doordringen in het drama. Voor dat laatste is een kunstenaar nodig met de gave zich in te leven in de betrokkenen en hun verhaal.

Het zou me niet verbazen als Kees van Beijnum (1954) voor zijn nieuwste roman Het verboden pad de berichten over de onfortuinlijke Amsterdamse scholier tot uitgangspunt heeft genomen. Al zijn vorige boeken, vanaf de docu-roman Over het IJ waarmee hij in 1991 debuteerde, zijn geënt op de (meestal Amsterdamse) realiteit, handelen over de glibberige grens tussen mededogen en medeplichtigheid en het tergende onvermogen iets wezenlijks voor een ander te kunnen betekenen. Niet zelden speelt het gymnasium een meer of minder prominente rol in zijn werk. In zijn voorlaatste roman, De oesters van Nam Kee (2002), is de hoofdpersoon Berry Kooijman leerling van het Barlaeus.

Vaak zijn Van Beijnums hoofdpersonen adolescenten die tussen twee milieus zweven: of ze stammen uit kringen aan de onderkant van de samenleving waaraan ze dankzij talent en opleiding ontsnappen, zoals in Dichter op de Zeedijk, of ze komen uit middenklassemilieus maar belanden via verkeerde vriendjes en duistere verlangens aan de zelfkant. In Het verboden pad (de titel kan ontleend zijn aan de stomme film The Forbidden Path uit 1918) is de in de ik-vorm vertellende hoofdpersoon Philip Soek een zoekende rijkeluiszoon van 26 die na zijn studie politicologie tot het inzicht komt dat hij zich in dienst van andere mensen wil stellen. Hij wil helpen en redden wat er te redden valt. Ook nadat hij het marxisme heeft afgezworen voelt hij dat de zelfzuchtige wereld van zijn vader, een charmante en erudiete vastgoedhandelaar, de zijne niet is. Hij kiest voor de jeugdhulp. Hij begeleidt uit huis geplaatste kinderen van junks, hoeren, pooiers en moordenaars die geen enkel perspectief lijken te hebben. Kinderen zonder wortels die vijandig staan tegenover hun hulpverleners van wie ze tegelijkertijd volkomen afhankelijk zijn.

Bekakt

Philip, met zijn bekakte voorkomen, zijn keurige manieren en chique kleren, gaat stage lopen in Amsterdam Oud-West, in opvanghuis De Helmer, op een steenworp afstand van het geboortehuis van Willem Frederik Hermans. Zijn pupillen zijn kinderen van 14 tot 18 jaar die niets met hem gemeen hebben en alles in het werk stellen hem zo snel mogelijk weg te pesten. Of hij het daar levend van af zal brengen is gezien de gewelddadige onberekenbaarheid van de aan zijn zorg toevertrouwde huftertjes maar de vraag. Een vraag die vooral prangend wordt als hij ingaat op het verzoek van zijn door de wol geverfde collega's Harvey en Walter om hen te vergezellen tijdens een vakantie op de Bretonse camping L'espérance (de hoop) voor de complete groep van acht kinderen.

De associatie met het krantenberichtje over de verongelukte Barlaeus-leerling zit al in de eerste alinea van de proloog. `Toen Djeu Kaname twee dagen voor le quatorze juillet verdween in het schuim en de deining van de oceaan bleven wij, haar metgezellen, met meer vragen achter dan we ooit zullen kunnen beantwoorden. Wie was zij, wat was haar echte naam? Wat betekenden wij voor haar, en vooral, wat was de werkelijke oorzaak van haar val?' Hiermee geeft Van Beijnum de plot bewust en zonder omhaal weg: tijdens een survivaltocht verongelukt een aan hulpverleners toevertrouwd meisje onder enigszins verdachte omstandigheden. Hij treedt hiermee in het voetspoor van Donna Tartt, die in De verborgen geschiedenis hetzelfde procédé volgde. Eerst de fatale afloop, dan de ontrafeling.

We weten dus dat de vakantie zal uitlopen op een drama dat het leven van alle betrokkenen ingrijpend zal veranderen, maar over het hoe en waarom worden we pas honderden pagina's verder ingelicht. Des te knapper dat Van Beijnum de spanning tot het einde weet vast te houden en zelfs op te voeren.

Waarin Van Beijnum echter tekort schiet, ook in vergelijking met zijn vorige boeken, is zijn schrijfstijl. Het zijn niet de gedetailleerde beschrijvingen die storen – die blijken uiteindelijk functioneel te zijn – maar zijn gekunstelde, mislukte pogingen tot archaïsch taalgebruik, de onhandige zinsconstructies en belabberde dialogen. De vertellende Philip bedient zich van een semi-deftig taaltje. Van Beijnum heeft kennelijk het idee dat dit wordt gesproken in kringen van steenrijke zakenlui waar zijn hoofdpersoon uit voortkomt, maar weet dit milieu niet trefzeker neer te zetten. Dat leidt tot onmogelijke zinnen: `Walter bevond zich op dat moment nog steeds in zijn tent en Harvey zocht verstrooiing in de campingbar in het gezelschap van Tom en Bruno, welke laatste samen met Walter en Samantha verantwoordelijk was voor de aan het maal voorafgaande voorbereidingen, maar het zag er niet naar uit dat iemand nog van plan was zich te houden aan de afspraken daaromtrent.' De Nieuwe Bijbelvertaling leest hierbij vergeleken als een verhaal van Annie M.G. Schmidt.

Betrokken

Het neemt allemaal niet weg dat Het verboden pad een spannende, rauwe en vooral diep betrokken roman is over realistische eigentijdse problemen. De uit huis geplaatste pubers, vier meisjes en vier jongens, worden zowel met mededogen als met afschuw beschreven. Het is de compassie die uiteindelijk wint. Uit de dossiers waaruit Philip hun achtergronden oprakelt én uit hun gedrag komt naar voren dat ze in deze maatschappij kansloos zijn. Geleerde observatoren van hedendaagse probleemjongeren adviseren om `de jeugd' weer normen en waarden bij te brengen, haar een `gemeenschappelijke geschiedenis' aan te bieden, maar Van Beijnum laat – dicht op de huid van dergelijke jongeren – zien dat het al heel wat is als hun mentoren er in slagen hun een minimum aan vertrouwen te schenken.

Het ongeluk met het meisje Djeu, een onzekere Rwandese asielzoekster zonder familie in Nederland, biedt ons een inkijkje in de normen en waarden van de hulpverleners, uiteindelijk ook maar gewone menselijke wezens met hun relatieproblemen, competentiestrijdjes, machtswellust en egocentrisme. Als het erop aankomt elkaar en de groep geschokte kinderen te steunen, vluchten ze in onderlinge verwijten en het afschuiven van verantwoordelijkheid. Niet zij, maar de kinderen, die door de gedeelde ervaring voor het eerst zoiets als een groepsidentiteit, een onderlinge verbondenheid, gewaarworden en daar zelfs gezamenlijk een monument voor bouwen, houden uiteindelijk `de boel bij elkaar'.

En Philip, de buitenstaander, die zichzelf en zijn zogenaamd voortreffelijke milieu tot norm had verheven en vanuit die positie dacht de mensheid te kunnen helpen, komt erachter dat zijn familiegeschiedenis niet zoveel verschilt van die van de meeste van zijn beschadigde pupillen. Het verschil tussen hem en de ontwortelde kinderen is educatie en geld, maar vooral het vermogen anderen te vertrouwen. Dat is een vorm van beschaving die voor velen eenvoudig niet is weggelegd, een onbereikbare luxe. Van Beijnum probeert ons in zijn iets te expliciet vertelde verhaal niettemin duidelijk te maken dat vertrouwen het panacee is. Het idealistische moralisme van zijn hoofdpersoon maakt Het verboden pad tot een ontroerend, zij het weinig geruststellend, tijdsdocument.

Kees van Beijnum: Het verboden pad. De Bezige Bij, 451 blz. €19,90