Onwezenlijk

Nederland bestaat niet voor de Amerikanen, dat is bekend.

,,Ze weten niet eens waar het ligt'', zeggen wij altijd. Dat is nogal overdreven, want ik heb de afgelopen weken juist opvallend veel doodnormale Amerikanen gesproken die `just a few days' in Amsterdam waren geweest, en daar goede herinneringen aan hadden overgehouden.

Maar voor de rest klopt het wel: Nederland bestaat hier niet. Bijna drie weken lang las of hoorde ik in de Amerikaanse media niets over Nederland. Het herstel van premier Balkenende werd niet opgemerkt, en de nederlagen van Ajax maakten op niemand indruk, behalve op mij.

Tot de dag van woensdag aanbrak. Toen las ik in The New York Times een groot stuk – opening van pagina 5 – over de moord op Theo van Gogh, ,,a distant relative of the 19th century painter Vincent van Gogh''. Onder de kop `Dutch Filmmaker, an Islam Critic, Is Killed' stond een evenwichtig nieuwsverhaal van Marlise Simons, correspondent van The New York Times in Parijs. Ze gaf een duidelijk beeld van de manier waarop Van Gogh vermoord was, ze beschreef wat achtergronden en ze liet enkele mensen (Ayaan Hirsi Ali, uitgever Tilly Hermans, schrijver Nelleke Noordervliet) aan het woord.

Gisteren mocht Marlise Simons een uitgebreide follow-up schrijven met gegevens over de jacht op medeplichtigen. Van Gogh was nu opgeklommen tot de status van ,,a grandson of Vincent van Gogh's brother, Theo''. De laatste zin was onheilspellend: ,,De angst is dat de moord rechtse groepen kan aanzetten tot aanvallen op immigranten, iets dat al eerder elders in Europa is gebeurd, maar dat in Nederland zelden is voorgekomen.''

Dat was het enige dat ik in de Amerikaanse media over de moord op Van Gogh kon ontdekken. Voor mij was het geen nieuws meer, want ik had al het een en ander uit Nederland vernomen. Het is heel onwezenlijk om zulk gruwelijk nieuws ver van huis te moeten verwerken. Voor Van Gogh als deelnemer aan het publieke debat heb ik nooit enige waardering gehad, maar dat doet onder zulke omstandigheden opeens niet meer terzake.

Wat het des te onwezenlijker maakte, was dat het leven in New York rustig – nou ja, rustig – doorging, terwijl ik me voorstelde dat er in Nederland een pandemonium van verwarring en verontrusting was uitgebroken. Ik stond daar buiten, ik ging een ommetje maken naar Times Square, de enige plek in New York met een kiosk waar ze een Nederlandse krant, zij het (nog) niet NRC Handelsblad, hebben.

Intussen werd ik steeds jaloerser op al die New Yorkers die me onaangedaan voorbijliepen. Hun stad heb ik inmiddels tot in allerlei hoeken en gaten uitgekamd en ik heb me steeds weer verbaasd over de vreedzaamheid waarmee al die verschillende etnische groepen, ook al leven ze soms nog zo gesegregeerd van elkaar, een samenleving vormen. Ook in Harlem en The Bronx kun je als blanke tegenwoordig veilig over straat lopen. Al die spannende verkiezingsweken gebeurden er in New York maar enkele opzienbarende moorden, en die hadden niets met politiek te maken, zelfs niets met georganiseerde misdaad.

Hoe doen ze dat toch? En waarom lukt het ons niet meer?