Omringd door aziatica

In een verre voorloper van deze boekenbijlage, de Boekzael der geleerde werelt van december 1722, kondigden twee uitgevers, een Amsterdammer en een Dordtenaar, een omvangrijk project aan. Zij zouden een grootse beschrijving uitgeven van de gebieden waar de VOC actief was en wel in een vijfdelige serie, gebonden in acht folianten. Bij voorintekening zou men daar zeventig gulden voor moeten neertellen. De boeken verschenen in de jaren 1724 tot 1727, in totaal 5.100 bladzijden met honderden gravures. Dit werk, Oud en Nieuw Oost-Indien getiteld, verkocht goed en is anderhalve eeuw het grote Nederlandse naslagwerk over Azië geweest. In de negentiende eeuw verscheen zelfs een verkorte editie ten behoeve van Nederlands-Indische bestuursambtenaren. Het werd afwisselend geprezen als nuttig en leerzaam en afgekraakt omdat de auteur, dominee François Valentijn, wel erg zwaar geleund had op andere auteurs. Sinds kort is Valentijns werk weer verkrijgbaar dankzij het lovenswaardige initiatief van de Franeker uitgeverij Van Wijnen om de hele `Valentijn' in facsimile uit te geven. Deze fraaie editie is sinds kort voltooid. Als supplement verscheen een biografie van Valentijn door R.R.F. Habiboe.

Habiboe reconstrueerde Valentijns leven uit de verspreide artikelen, uit diens eigen mededelingen in zijn magnum opus en uit nieuw gevonden archiefmateriaal. Hij heeft dat op een zakelijke, chronologische wijze gedaan. Valentijn komt daarin vooral tot leven wanneer de auteur gebruik kon maken van diens eigen observaties, zoals die aan boord van de schepen die hem naar Azië brachten en hem weer terugvoerden.

Geboren in een milieu van kleine burgers, doorliep hij de Latijnse school in zijn geboortestad Dordrecht, studeerde theologie in Utrecht en Leiden en stelde zich na zijn afstuderen beschikbaar om uitgezonden te worden naar Azië. Op negentienjarige leeftijd reisde hij naar Batavia en werd na korte tijd op Ambon gestationeerd. Hij verkeerde er in het milieu van de hogere bestuurslagen en van mannen die sterk geïnteresseerd waren in het onderzoek naar de natuur. Hij sloot dan ook vriendschap met de grootste kenner en beschrijver van de flora en fauna aldaar, G.E. Rumphius, `de blinde ziener van Ambon'. Ook op taalkundig gebied hield Valentijn zich bezig. Hij beheerste behalve Nederlands, Frans, Italiaans, Latijn, Grieks en Hebreeuws en ook nog een vorm van het Maleis. In die laatste taal vertaalde hij de bijbel, al is het nooit tot een uitgave gekomen.

Na 1694 jaar keerde de inmiddels gehuwde Valentijn terug, maar na tien jaar nam hij opnieuw dienst bij de VOC en wederom diende hij op Ambon. In 1714 repatrieerde hij definitief. Na vergeefse pogingen om weer als dominee te worden aangesteld, verhuisde hij naar Den Haag waar hij aan zijn grote werk begon. Zijn materiaal bestond, behalve uit zijn eigen observaties, uit honderden al of niet legaal verkregen VOC-documenten, uit gegevens uit boeken en uit inlichtingen van eveneens gerepatrieerde Nederlanders. Valentijn onderhield zich met zijn voormalige collega's over taal en cultuur en was lid van een club van schelpenverzamelaars, het Neptunuskabinet. Er is nog nooit een studie gemaakt naar het leven van de gefortuneerde ex-VOC mannen, die, omringd met aziatica, hier hun oude dag beleefden. Dit boek kan een aanzet zijn om dit milieu eens nader te bestuderen.

R.R.F. Habiboe: Tot verheffing van mijne natie. Het leven van François Valentijn (1666-1727). Van Wijnen, 160 blz. €32,50