Mug onder de sterren

Ik ben nog nooit in China geweest. En dus ook niet in de stad Xuan. Ik weet niet eens waar Xuan ligt. Ik heb nog nooit van de dichter Xie Tiao gehoord. Ik weet niet hoe ik zijn naam moet uitspreken. Zijn behuizing in Xuan ken ik niet, en ik weet dus ook niet hoe zijn noordertoren eruitziet. Maar toch weet ik me binnen één regel verplaatst naar die toren als ik het korte verslag lees dat dichter Li Bo (701-762) schreef na zijn verblijf aldaar. Het staat in De naam van de maan (1991), een bloemlezing uit zijn poëzie, vertaald door Willy vande Walle en Mon Nys. Het is vele eeuwen geleden en duizenden kilometers ver, maar ik klim zo met hem mee de toren op en kijk zo met hem uit over het onbekende Xuan. Het is herfst, en ik voel het koud optrekken: `De stad aan de rivier: een schilderij./ Boven de bergen de wolkenloze ochtendhemel./ In het klare water van de twee rivierarmen/ spiegelen zich twee bruggen als kleurrijke regenbogen.'

Dit is eenvoudige, beschrijvende poëzie. Misschien moet je het niet eens poëzie noemen, maar beknopt proza: korte zinnen, geen beeldspraak, geen klankspel. Waarnemingen en gewaarwordingen: `Rook uit de huizen kringelt koud op tussen de citrusbomen.' En: `de wutong-bladeren hebben een diepe herfstkleur.' Ik weet ook al niet wat een wutong is, maar de diep gekleurde bladeren ervan zie ik niettemin voor me. Tot zover is het nog proza, een verzameling notities die eindeloos zou kunnen worden aangevuld: met waarnemingen van bootjes op de rivier, bijvoorbeeld, of geluiden, karren op de weg of vogels in de lucht. Maar nu, na zes regels, breekt Li Bo zijn stemmige verslag ineens af, met deze regels: `Wie zal weten dat ik op de noordertoren/ in de wind over meester Xie mijmerde?'

Hiermee is het gedicht meteen afgelopen. Is het een vraag of een wanhopige uitroep? In één keer is het perspectief gewijzigd: van beschrijving naar inzicht, van buitenwereld naar binnenwereld, van epiek naar lyriek. Ineens lijkt Li Bo zich te realiseren dat hij alleen is, op die koude toren, ongezien, klein mens tegenover groot uitzicht, alleen met zijn gedachten. Misschien lees ik er meer in dan ooit door de dichter is bedoeld, en misschien is mijn blik te veel vervormd door amateurexistentiefilosofie en hedendaags gepsychologiseer, maar ik kan in deze twee slotregels moeilijk iets anders lezen dan de schrikschok van een doorbrekend besef: wie zal ooit weten dat ik hier nu ben, wie ben ik eigenlijk, waar ben ik, wie ziet mij nog, nu of ooit, en waar gaan al mijn gedachten naar toe? Het aardige is dat de versleten zegswijze `de vraag stellen is haar beantwoorden' in dit geval nu eens opgaat. Door de vraag in zijn gedicht op te nemen weten al zijn lezers, en ook wij, twaalfhonderdvijftig jaar later, dat Li Bo ooit op een koude herfstdag de noordertoren van Xie Tiao beklom en daar `in de wind over meester Xie mijmerde'.

Ik denk vaak aan Li Bo en aan zijn mijmeringen. Veel soelaas biedt zijn vers niet, behalve dan de troostende gedachte dat niet alles vergankelijk is, en dat niet alles onopgemerkt blijft. Maar verder? Je loopt er mee rond zoals met een kiezel in je broekzak, ooit eens opgeraapt, omdat hij lekker in de hand ligt. Je voelt er af en toe aan. Meereizend gruis. Wat mij in het gedicht van Li Bo beviel was juist de onaanzienlijkheid ervan. Een gelegenheidsgedicht, ongevormd, met een paar willekeurige details, waar je aan gehecht raakt, als aan een kiezelsteen. De noordertoren van Xie – dus niet zijn westertoren. De citrusboom – en dus niet de perzikboom. De kringelingen van de rook uit de huizen – en dus geen mistflarden.

Dit is het begin van een ander gelegenheidsgedicht: `Onder het uitspansel bij Paal Twaalf,/ in de verlaten strandtent waar wij zaten,/ slaan, kort na elkaar, twee diepvrieskisten aan.' Ook allemaal willekeurige details, in de beginregels van `Onder het uitspansel' van Erik Menkveld. Wat moeten we ermee? Er dient zich geen heldere bedoeling aan, hooguit een patroon. De cijfers twee en twaalf. De tegenstelling tussen uitspansel en tent, en ook de overeenkomst. Het verschil tussen warm strand en diepvries. Op de eerste strofe volgt een overpeinzing over het lot van ijsco-stokjes en een over het lot van de benzine in de benzinetanks van de geparkeerde autos op het waddeneiland waar het zich allemaal afspeelt. `Sommige benzine op het eiland wiegt nog na,/ het merendeel staat blakstil in de motorrijtuigen/ op erven, campings, wandelpaden.'

Ook dit lijken louter zinloze waarnemingen, maar ongewoon geformuleerd, en ook wel geestig. Een dichter in een wat afwezige stemming, een sfeer van onthechting en vreemd verdiepte waarneming, vol verwondering om alles wat er is en om hoe alles met alles samenhangt. `Adem die ik morgen onze opblaaskrokodil/ hoop in te blazen, stroomt nu in een schaap/ dat zich niet vaak laat horen.' De adem van de dichter wordt nu door een schaap ingeademd en, na uitademing door het schaap en opnieuw inademing door de dichter, morgen weer door een opblaaskrokodil – waardoor mens, dier en plastic speelgoed toch even gelijkgesteld worden. Tegelijk flitst even het beeld van de dichter als God, schepper, inblazer van nieuw leven door de tekst heen. Intussen blijft dat schaap niet zo stil als het nu nog is. Vannacht zal het `vanaf de dijk/ de sterren toe gaan blaten.' Dan flitst weer een ander beeld voorbij: wie de adem van de dichter inademt gaat blijkbaar blaten, en niet zo weinig ook.

De dichter als schaap, eenzaam in de nacht, blatend onder de sterren: op dat moment dient zich weer de overeenkomst met Li Bo in zijn torengedicht aan. Eenzelfde neiging tot waarnemen, opsommen en inventariseren, met eenzelfde rol voor de mens: een nietig onderdeel van een veel groter uitzicht onder een veel groter uitspansel. Net als Li Bo besluit Menkveld zijn gedicht met een existentiële vraag. `Heeft de mug die mij komt steken/ mij al in de gaten boven de kamperfoelie/ onder ons wagenwijd slaapkamerraam?' Kennelijk weet hij al dat hij later gestoken zal gaan worden. Dat is grappig, en net als bij Li Bo heeft het iets van een voorschot op de toekomst. Maar net als bij Li Bo klinkt er ook existentiële wanhoop in door. De vraag over de mug slaat op hemzelf terug. Als hij nu al weet wat die mug later gaat doen, dan is er op hetzelfde moment onder hetzelfde uitspansel vermoedelijk ook wel een instantie die nu al weet wat de dichter boven het hoofd hangt. Wie ben ik, en waar ben ik, las ik in de slotregels van Li Bo, met uitzicht op Xuan. En in de slotregels van Menkveld, voor het wagenwijde slaapkamerraam ergens op de wadden: hoe lang heb ik nog?