Leer Frans, en je bent er

Sommige auteurs lijken bij voorbaat al zo voorbestemd voor excessieve media-aandacht dat je hun boeken schoorvoetend openslaat. De verhalen rond hun persoon zijn dan dermate bijzonder of bizar, dat je vreest dat zijn of haar literaire kwaliteiten wel bijzaak zullen zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor Fatou Diome, een zesendertigjarige Senegalese, die werd geboren op Niodor, een eilandje voor de Senegalese kust, `waar kokospalmen hun kruinen laten wuiven in een achteloze, heidense dans, zonder dat iemand nog weet waarom'. Als bastaarddochter van een vader die nog voor haar geboorte verdween, werd Diome opgevoed door haar analfabete grootmoeder. Het maakte haar een mikpunt van spot, een leergierige eenling, die stiekem, achter de rug van haar grootmoeder om, de dorpsschool bezocht totdat de schoolmeester het moe werd haar weg te jagen. Ze ging letteren studeren, sloot een sprookjeshuwelijk met een jonge Fransman die een paar maanden in Senegal werkte en vertrok met hem naar Straatsburg. Haar schoonfamilie pestte haar weg: een zwarte vrouw in de familie, een erudiete nog wel, zwarte kleinkinderen in het verschiet – uitgesloten.

Na twee jaar strandde het huwelijk. Fatou Diome ging weer studeren, dit keer in in Straatsburg. Ze studeerde overdag en maakte 's nachts kantoren schoon. Om haar heimwee en haar eenzaamheid te bestrijden, schreef ze. In 2001 verscheen haar verhalenbundel La préférence nationale, vorig jaar werd haar debuutroman Le ventre de l'Atlantique zowel door de kritiek als door het grote publiek omarmd.

En dat is terecht. Haar autobiografische roman, die in de Nederlandse vertaling de titel De golven van de oceaan draagt, is vrijmoedig van toon, vrij en origineel in taalgebruik en geestig bovendien. Net als in de eerste romans van de Kameroense schrijfster Calixthe Beyala knokken haar hoofdpersonen om een plek in de Franse samenleving. Ook zij worstelen met integratie, ontheemding en nostalgie. Beyala schetste en passant de hele Afrikaanse gemeenschap `in den vreemde'; Diome's vertelster, even direct en ongedwongen als Beyala, is op zichzelf teruggeworpen en worstelt met haar buitenstaanderschap. Diome zit, ook al door de ikvorm waarin zij haar boek schreef, dichter op haar personage dan haar Kameroense collega.

Fatou Diome kaart de migrantenproblematiek aan zonder in clichés te vervallen. Ze begint haar boek bijvoorbeeld met het gepassioneerde verslag van de voetbalwedstrijd Italië - Nederland, op 29 juni 2000. De vertelster ziet de wedstrijd in Frankrijk, alleen, op de bank, voor de televisie. Tegelijkertijd stelt zij zich voor hoe haar jongere broer, een fan van de Italiaanse doelman, samen met de dorpsbewoners op Niodor naar dezelfde wedstrijd kijkt: opeengepakt in het huis van een welgestelde remigrant, die de enige televisie van het dorp bezit. De ijsjes waar westerse jongens zich in de reclames likkebaardend aan tegoed doen, heeft niemand op het Senegalese eiland ooit gezien. Het geflirt rond flesjes Coca-Cola doet de Senegalese jeugd vermoeden dat meisjes in Europa zich blindelings laten verleiden door wie hen ook maar zo'n flesje wonderdrank aanbiedt. Vlak voordat de wedstrijd met strafschoppen beslist zal worden, begeeft het televisietoestel het. Meteen daarna rinkelt de telefoon, collect call, in Straatsburg: haar broer verwacht een minutieus verslag van de laatste, gemiste minuten van de wedstrijd.

Al vertellend typeert Diome het eiland waar ze werd geboren en de cultuur waarin ze terecht is gekomen. In het eerste geval wachten de mensen, `vastgeplakt als etensresten aan het tandvlees van de Atlantische Oceaan' op wat er te gebeuren staat, `tot de volgende golf hen meesleurt of in leven laat'. Toeval, lot, gelatenheid en hoop bepalen hun leven. In Europa loopt de vertelster `door de lange tunnel van prestaties', waar `iedere pas voert naar een verwacht resultaat'.

In haar boek verwoordt Diome niet alleen de ontworteling van haar ballingschap – een vreemdeling in Frankrijk en ook niet meer thuis in haar geboorteland –, maar laat ze ook met humor zien welke terreur de achterblijvers uitoefenen op degenen die vertrokken. Wie vertrekt, wordt per definitie rijk, luidt de overtuiging. Ieder Afrikaans kind fungeert als sociale zekerheid voor zijn ouders en wie erin slaagt zijn land te verlaten, hoeft zich daar geen zorgen meer over te maken. Leer Frans en je bent al half geslaagd: `die taal draagt een pak, een tas en dichte schoenen, of een mantelpakje, een bril en hoge hakken'. Is het niet zo dat de Franse staat geld uitdeelt aan mensen die niet werken? Daarom vindt iedereen het de gewoonste zaak van de wereld dat de vertelster, die immers een Fransman aan de haak heeft geslagen, de kosten van de telefoongesprekken betaalt. Dat zij inmiddels gescheiden is en haar hele magere werkstersalaris aan cadeautjes moet uitgeven, doet niet ter zake. `Wie durft nog te beweren dat afstand vrijheid schept?'

In haar roman laat Diome zien hoe diep de overtuiging van een Europees paradijs is geworteld in het bewustzijn van Afrikanen. Een Europeaan is een `weldoorvoed wezen dat een luxeleventje leidt als aan het hof van Lodewijk XIV'. Het zijn oogkleppen van een Derde Wereld die zo `bezig is met zijn eigen verwondingen' dat zij niet in staat is de Europese realiteit onder ogen te zien.

Hoe die mythe door de terugkomers in stand wordt gehouden, vertelt Diome ook. Geen van de mannen die in Frankrijk is gaan werken, heeft het lef te vertellen dat hij zijn geld verdiende als vuilnisman, als sjouwer, als arbeider. Niemand doet kond van de geleden armoede, de overnachtingen in de metro of van de ervaren discriminatie. Wie naar Niodor terugkomt, heeft fortuin gemaakt, opent een winkel of bouwt een huis. Moussa, een jonge getalenteerde voetballer, die door een Franse talentenjager was geronseld voor een carrière in een Franse voetbalclub, kon de verwachtingen niet waarmaken en keerde zonder een sou naar zijn geboortestad terug. En wie blut terugkeert uit het paradijs, heeft afgedaan.

Moeiteloos springt Diome van de ene wereld naar de andere. Nu eens spreekt ze de lezer toe (`u zult het begrepen hebben'), dan weer laat ze haar vertelster aan het woord (`De zon leek de vragen van de mensheid te ontvluchten'). Haar taal is vaak beeldend (`ik weet niet waar zich de watervallen bevinden waaronder je de vernedering van de mislukking kunt afspoelen.') Natuurlijk valt er ook wel wat af te dingen op deze wervelende debuutroman. De eenheid in de structuur van het boek is, zeker in de tweede helft, enigszins zoek en de auteur wordt, met name daar waar zij misverstanden tussen thuisblijvers en emigranten aan de kaak stelt, soms te essayistisch. Drammerig of docerend is deze talentvolle, geëngageerde schrijfster echter nergens – daarvoor is zij te eigenzinnig en beschikt zij over te veel humor.

Fatou Diome: De golven van de oceaan. Uit het Frans vertaald door Noor Koch. Sirene, 216 blz. €17,95

Fatou Diome treedt zaterdag 13 november op in het Crossing Border Festival en bezoekt op donderdag 25 november Amsterdam (www.maisondescartes.com).