Houd het roer recht

Tot 2008 wordt het Rijksmuseum grondig verbouwd. Intussen wordt nagedacht over een nieuwe opstelling van de collectie. Het Cultureel Supplement denkt mee en laat de komende jaren een reeks kunsthistorici uit binnen- en buitenland hun visie geven op de ideale presentatie.

Als derde de Amerikaan Walter Liedtke: ,,Het Rijksmuseum moet geen Italiaanse of Franse kunst willen kopen.''

Mijn beeld van het Rijksmuseum is smal én breed, zoals dat van een officier – beslist niet de kapitein – van een Engels schip uit de zeventiende eeuw die door zijn verrekijker een machtig Hollands vlaggenschip ziet opdoemen. Omdat ik 24 jaar op een nog groter schip heb gediend, begrijp ik zonder meer hoe groot en log en complex het Nederlandse vaartuig is – eigenschappen waardoor het wel geducht is, maar niet licht koers wijzigt. Ik weet dat zo'n vaartuig, om overeind te blijven en zo heel nu en dan iets geweldigs te presteren, grote investeringen vereist, een bemanning van honderden koppen met alle mogelijke bijzondere vaardigheden, en een kapitein die moedig is en beleidvol, energiek en ervaren, gezaghebbend en vol consideratie voor het moreel van zijn mannen (en niet te vergeten de vrouwen van het Rijksmuseum, van wie er verrassend weinig op verantwoordelijke posten te vinden zijn).

U voelt wel wat ik wil zeggen. Zo'n waarnemer zal in sommige opzichten goed op de hoogte zijn, in andere niet. Al zou de buitenlandse officier precies zien wat zijn tegenhanger op het andere schip doet, dan nog weet hij niet veel van de Nederlandse politiek, economie, publieke opinie enzovoort. Daar komt bij dat de scheepsmetafoor – net als een embleem in een oud Nederlands boek – heel aardig opgaat als je er de juiste uitleg bij geeft, maar slechts heel weinig licht werpt op andere kwesties, zoals in dit geval de lading in het ruim. Een schip zinkt, mensen laten het leven, staven zilver verdwijnen in de oceaan – en wat dan nog? Wij weten – en sommige schilderijen in het Rijksmuseum herinneren ons daaraan – hoe vluchtig dat alles is. Maar in de grote musea van deze wereld gaat het om iets anders: zij dienen in de eerste plaats de lading te bewaren, zij dienen deze historische schatten door te geven aan de volgende generatie en aan vele generaties daarna.

Dat is allemaal heel mooi, zult u zeggen, maar hoe zit het met het Rijksmuseum van dit moment: het nieuwe gebouw, betere toiletten, een groter cafetaria, faciliteiten voor de bezoekers. En natuurlijk grandioze tentoonstellingen, die vermaak bieden maar ook lering – althans een beetje –, en die een aantal andere zaken financieel mogelijk maken. Dat bewaren ligt tenslotte nogal voor de hand, dat hoef je niet uit te leggen aan een natie die haar vinger in de dijk heeft gehouden en die, tijdens de Tweede Wereldoorlog, de Nachtwacht heeft opgeslagen onder een duin bij Heemskerk. Zeker, maar behoud, of liever `conservering', is allereerst een kwestie van attitude, en daar zie ik grond voor bezorgdheid. Ik doel niet op de professionele restauratoren die in het Rijksmuseum of in soortgelijke instellingen werkzaam zijn: de velen die met brede kennis, grote toewijding en kostbare apparatuur de toestand en het uiterlijk van kunstwerken – niet alleen schilderijen maar ook tapijten, beelden, meubels, keramiek, tekeningen, prenten en tal van andere zaken – conserveren en in sommige gevallen verbeteren. Ook denk ik nu niet aan spectaculaire diefstallen uit musea, aan aanslagen op kunstwerken – alweer de Nachtwacht – of aan catastrofale verliezen door oorlogen of ongevallen (zoals de brand in het museum in Rotterdam in 1864). Wat mij, als conservator – een idealistische persoon met een minder dan gemiddelde belangstelling voor praktische aangelegenheden – vooral bezighoudt, is de trage erosie van culturele waarden, van attitudes ten aanzien van het verleden en zijn monumenten, onze geschiedenis.

Raakt dat het restauratiewerk, dat vooral een praktische benadering lijkt te vereisen? Zeker, maar denk eens aan twee recente voorbeelden van grootscheepse vernielingen in de kunstwereld: de reusachtige boeddhistische beelden in Bamiyan en het nationale museum en de nationale bibliotheek in Bagdad. Beide gebeurtenissen waren een kwestie van attitude, van waardenstelsels die blijk gaven van minachting of onverschilligheid ten aanzien van culturele monumenten. Bij de Amerikaanse inval bleven vrijwel alle oliebronnen behouden, maar dacht niemand eraan om het museum te bewaken (of, later, vele archeologische vindplaatsen). Bij de invasie in Frankrijk deden de Amerikanen het indertijd beter: toen beschikte het leger over kunsthistorische adviseurs, naar wie soms werd geluisterd (een mediëvist, wijlen mijn collega Frank Ludden, heeft een van de torens van Chartres gered). Onze jongste oorlog is geen teken van vooruitgang. In het land dat onder Amerikaanse schoolkinderen altijd de `bakermat van de beschaving' heette, graven wij een graf.

Met dit voorbeeld ben ik ver afgedwaald van ons onderwerp, de toekomst van het Rijksmuseum. Maar conservatoren zijn conservatieve mensen, en moeten dat ook zijn, conservatieve mensen voor wie de toekomst dient om het verleden te bewaren. Politiek of sociaal gezien ben ik niet `conservatief', maar wat de rol van een bijzonder museum betreft belijd ik – net als mijn directeur – conservatieve en zelfs enigszins `elitaire' opvattingen. De schone kunsten zijn tenslotte geen voetbal, maar – hoewel kunst ook lelijk kan zijn – een van de mooiere manieren waarop de mensheid haar waarden en ideeën belichaamt; net als literatuur en muziek. Als u niet van opera of ballet houdt, kunt u er gerust wegblijven. Of u kunt het een paar keer proberen, om te zien of het u toch aanspreekt. Voor heel moderne vormen van beeldende kunst, dans en muziek geldt hetzelfde, zou ik zeggen, maar voor het Rijksmuseum is dat niet relevant. Het gaat hier om oude spullen, net als bij de meeste dingen in het Metropolitan Museum, en toch zijn die twee musea elk niet alleen het voornaamste culturele instituut van hun land, maar ook de meest geliefde toeristische attractie van hun stad.

Directeuren houden dit soort zaken voortdurend voor ogen, en zij streven ernaar – of zouden dat moeten doen – om het juiste midden te vinden tussen toegankelijkheid en integriteit. Dat valt het best te realiseren met fantasie, ervaring en hard werken – zaken die tijd vergen –, reizen, trial and error, en langetermijngaranties van geldverschaffers. De slechtste manier om musea toegankelijk te maken is de maatstaven verlagen, `opleuken' (zoals met de bijschriften over `onze Vincent' in het Van Gogh Museum). Ik heb een hoge dunk van de eductieve dienst van het Metropolitan Museum, die drie grote afdelingen omvat, voor schoolkinderen, voor het hoger onderwijs, en voor het grote publiek. Zij maken geen bijschriften, ontwerpen geen museumzalen, werken niet mee aan tentoonstellingen en mengen zich ook anderszins niet in de zaken van de conservatoren. Uiteraard weten niet alle conservatoren – in bijschriften of door de opzet van een tentoonstelling – het publiek even vaardig aan te spreken. Maar zij worden bijgestaan door redacteuren en collega's, en leren al doende. Mijn eerste kostenbesparende maatregel voor het Rijksmuseum zou zijn om de hele educatieve dienst te ontslaan, of althans het aantal medewerkers te verminderen en hun algemene intelligentiepeil te verhogen. Al het geld dat daarmee wordt bespaard zou ten goede moeten komen aan het werk van de conservatoren, vooral voor secretariële ondersteuning, om de conservatoren in de gelegenheid te stellen tentoonstellingen op te zetten en wetenschappelijke catalogi te publiceren – twee zaken waarin het Mauritshuis op dit moment het Rijksmuseum overtreft –, bijschriften te maken, lezingen te geven, en iets te doen aan de opzet van de zalen, die al tientallen jaren ofwel ouderwets ofwel modieus zijn.

Een paar belangrijke zaken kunnen hier niet naar behoren worden besproken, deels uit ruimtegebrek, deels omdat ik geruchten en feiten niet goed kan scheiden. Als het waar is dat in de toekomst de schilderijen zullen worden gecombineerd met meubels, beelden enzovoort – om stijlkamers te creëren of historische context te verschaffen (zie Rudi Fuchs in NRC Handelsblad, 21 mei) –, lijkt het mij noodzakelijk dat men terughoudend te werk gaat, opdat ieder object voor zichzelf kan spreken. Om iets anders te noemen: als de Nederlandse schilderkunst van de negentiende eeuw naar elders, naar een ander gebouw wordt verplaatst, dan mogen wij dat niet afwachten: dat zou een ramp zijn voor de waardering van dat werk, en een groot verlies voor de bezoekers van het Rijksmuseum. Dat is niet alleen een kwestie van kunstgeschiedenis, maar ook van nationale identiteit, van kunstenaars die, hoe modern zij ook waren, groot respect hadden voor hun verleden.

Over nationale identiteit gesproken: laat het Rijksmuseum zich niet druk maken over de aankoop van buitenlandse kunstwerken. Een paar Vlaamse stukken kunnen dienen om ons eraan te herinneren dat de kunst van de Republiek in de ruimste zin van het woord Nederlands was. Maar geld uitgeven aan Italiaanse of Franse kunst – we zitten toch niet in Tokio?

Drie dingen moeten volstrekt duidelijk zijn. Ten eerste is het Rijksmuseum de belangrijkste schatkamer en toonzaal van Nederlandse kunst in de hele wereld. Ten tweede staat het in Néderland, niet in Rusland of Japan, waar er enige reden zou kunnen zijn om zaken te combineren. Ten derde: kosmopolitisch vertoon is altijd provinciaal. Maar om het ook eens positief te formuleren: de aankopen van Rembrandts Portret van Johannes Wtenbogaert (in 1992) en van Jan Steens zogenoemde Burgemeester van Delft met zijn dochter (in 2004) waren triomfen voor het Rijksmuseum en voor het land.

En voor de directeur, dat denken directeuren tenminste. Tot op zekere hoogte hebben zij gelijk: hun reputaties groeien door belangrijke aankopen, nieuwe gebouwen en blockbuster-tentoonstellingen. Maar de overgrote meerderheid van de bezoekers van het Rijksmuseum, van Oklahoma tot Overijssel, heeft geen idee wie de directeur is of wat hij doet. Anders gezegd: hij is geen publieke figuur maar een vakman, en het succes van zijn beleid hangt niet af van grote stunts maar van de beslissingen van alledag. Net als bij de kapitein van een schip, die zijn bemanning leidt en bezielt.

Neem nu Chris Dercon, die niet lang geleden het roer van een ander vooraanstaand Nederlands museum uit handen heeft gegeven. Volgens het tijdschrift Flanders (nr. 60, dec. 2003-feb. 2004) – een glossy propagandablad van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – is Dercon, een Vlaming, in 1996 van een plaatselijk centrum voor moderne kunst overgestapt naar ,,het prestigieuze [dat wás het] Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, waar hij, ondanks een aanzienlijke mate van bureaucratische tegenwerking, originele tentoonstellingen heeft weten samen te stellen, waarin uiteenlopende genres en periodes naast elkaar werden geplaatst. Onder zijn directeurschap is het museum ook verregaand gemoderniseerd en uitgebreid (door het Belgische – dat zal wel toeval zijn – architectenduo Robbrecht-Daem).''

Wat Dercon in feite gedaan heeft was de binnenplaats van het historische gebouw van Van der Steur verwoesten, tentoonstellingen inrichten als ramen langs de Amsterdamse Walletjes, en de medewerkers van het museum – voorzover zij geen ontslag hebben genomen – doodongelukkig maken. Maar ik geef toe: Dercon was niet gekozen om zijn museale kwaliteiten – het was een politieke benoeming. We zitten toch niet in Buenos Aires?

In de toekomst zal ik het Rijksmuseum, net als Boijmans, het Metropolitan of welk ander museum ook beoordelen naar zijn collectie, restauratiewerk, presentatie, tentoonstellingen, wetenschappelijk werk en dienstverlening aan het publiek, en vooral naar een coherent besef van zijn missie, zijn taak in de samenleving. Maar bovenal moet het Rijksmuseum een gelukkig oord zijn.

Walter Liedtke is conservator voor Europese schilderijen van het Metropolitan Museum of Art in New York.

Vertaling: Jaap Engelsman