Het land kraakt

Wat is er sinds de opkomst van Pim Fortuyn met Nederland gebeurd? Volgens een nieuw proefschrift was het `intermezzo' van het populisme slechts een correctie op de technocratie van Paars. Maar is er niet iets veel fundamentelers aan de hand?

Na de moord op Theo van Gogh vragen wij ons opnieuw af: wat is er van Nederland na Fortuyn geworden? De eerste kogel `kwam van links' volgens de toenmalige LPF-voorzitter Langedam. Van de tweede kogelregen is dit heel wat minder gemakkelijk vast te stellen. Onttrekt het moslimextremisme zich niet aan onze gebruikelijke schema's van links versus rechts? Nu ook de vaandeldrager van Pim Fortuyn is omgebracht, is het nog urgenter geworden om onszelf te bestoken met vragen als: wat is er sinds het `lange jaar' 2002 precies met ons gebeurd? Wat zijn de langetermijneffecten van de Fortuyn-beweging en van de `inbraak' van het rechtspopulisme in de Nederlandse politiek? Hoe kwetsbaar is onze democratie?

In De erfenis van Fortuyn, waarop hij gisteren aan de Universiteit van Amsterdam is gepromoveerd, probeert Hans Wansink op die vragen een systematisch antwoord te vinden. Als columnist en politiek commentator van de Volkskrant zat hij indertijd dicht bij het vuur. In zijn krant verscheen immers op 9 februari 2002 het `splijtende interview' dat een onherstelbare breuk veroorzaakte tussen Fortuyn en Leefbaar Nederland. Wansink was een van de auteurs van dit historische interview. Fortuyn verkondigde daarin niet alleen dat Nederland vol was en noemde de islam een `achterlijke cultuur', maar liet ook vallen dat `dat rare Grondwetsartikel' over discriminatie moest worden afgeschaft, en dat hij zich niet meer zoveel van de gemaakte afspraken met Leefbaar Nederland moest aantrekken. Zoals bekend viel iedereen in progressief (en Leefbaar) Nederland vervolgens over Fortuyn heen, raakte hij politiek onbehuisd, stampte hij in no time de LPF uit de grond, en begon hij een steile klim op weg naar een niet eerder vertoonde verkiezingsoverwinning. De moord op 6 mei 2002 maakte dat Fortuyn zelf die overwinning niet meer kon vieren.

Wansink heeft wel eens laten vallen dat hij en zijn collega Frank Poorthuis net zo lang bleven zitten totdat Fortuyn ongeveer `zei wat hij moest zeggen'. Ze voelden aan hun water dat hij met iets wilde komen, een stapje verder wilde gaan dan de standpunten die hij tot dan toe had ingenomen. Intrigerend is dan ook de passage waarin Wansink een gedetailleerd inkijkje verschaft in wat men een vorm van `co-productie van politiek' zou kunnen noemen. Die co-productie van de politieke werkelijkheid is kenmerkend geworden voor de huidige mediademocratie, waarin politici en journalisten in een eigenaardige dubbele binding met elkaar zijn komen te verkeren. In Wansinks beschrijving gebruikte Fortuyn op zijn beurt ook de Volkskrant, niet met voorbedachten rade, maar improviserend, gebruikmakend van het ogenblik, met het doel om het sluimerende conflict met Jan Nagel en Henk Westbroek op scherp te zetten.

Zowel de inkortingen van de tekst door de interviewers als de eindredactionele bewerking ervan tot een opvallende voorpagina-aankondiging leidde ertoe dat zij op verschillende punten werd aangescherpt, waarbij letter en geest van het oorspronkelijke interview niet altijd recht werden gedaan (vooral wat betreft Fortuyns cruciale uitspraak over grondwetsartikel 1). Zowel het interview als het voorpagina-blokje zijn als bijlagen opgenomen in het boek, maar jammer genoeg niet de oorspronkelijke, 10.000 woorden tellende tekst, zodat men niet kan vaststellen met welke middelen het interview precies is bijgebogen en `verhevigd'.

Een chaotischer voorbeeld van zo'n coproductie wordt verderop in het boek weergegeven. Jan Nagel, de voorman van het succesvolle Leefbaar Hilversum, was zó geïrriteerd over de arrogantie van de gevestigde politieke partijen, die de Provinciale Statenverkiezingen van 3 maart 1999 hadden verloren, maar toch aan het pluche bleven kleven, dat hij in een interview met het elektronische PvdA-Vlugschrift hardop dreigde met de oprichting van een nieuwe landelijke partij. Het blaadje verscheen met de vette kop: `Leefbaar Nederland in oprichting'. Peiler Maurice de Hond voorspelde meteen dat er veel ruimte was voor een nieuwe politieke partij. De volgende dag werden Nagel en Westbroek, die het lustrum van Leefbaar Hilversum zouden bijwonen, voor Grand Café Gooiland geconfronteerd met cameraploegen en een meute schrijvende journalisten. Vanaf dat moment konden de voormannen van Leefbaar Hilversum en Leefbaar Utrecht niet meer terug, en was Leefbaar Nederland daadwerkelijk in oprichting.

Wansink steekt zijn dubbele positie als speler en waarnemer dus niet onder stoelen of banken, en realiseert zich dat die onvermijdelijke mix van `afstandelijke betrokkenheid' ook risico's met zich meebrengt. Voor een deel kan dit boek immers worden gelezen als zelfrechtvaardiging door een belijdend lidmaat van de `linkse kerk' van de manier waarop deze het verschijnsel-Fortuyn heeft `aangepakt' en de fouten die daarbij zijn gemaakt. Dit verleent het boek een hybride karakter. Het blijft hangen tussen een nogal droge academisch-historische studie en een spannend journalistiek verhaal met een onmiskenbaar politieke, om niet te zeggen politiek correcte agenda. Wansinks soepele, ervaren en heldere pen onttrekt die inwendige complexiteit gemakkelijk aan het zicht. Maar zijn zorgvuldige feitelijke reconstructies van het `lange jaar 2002' – dat zich uitstrekt van Fortuyns aankondiging, op 20 augustus 2001, dat hij in de politiek zou gaan tot en met de Tweede Kamer-verkiezingen van 2003 – en de politiek-historische achtergronden ervan bevatten wel degelijk een uitgesproken politieke beoordeling van het fenomeen Fortuyn, het fortuynistische gedachtegoed en de rol van het populisme in min of meer voltooide West-Europese consensusdemocratieën.

Dit oordeel wordt echter niet ontwikkeld in rechtstreekse discussie met auteurs die Wansink zijn voorgegaan en die hier anders over denken. Zijn boek is de derde serieuze poging tot interpretatie van het fenomeen-Fortuyn na mijn De geest van Pim (2003) en S.W. Couwenbergs Opstand der burgers (2004). Het is zeker voor een academisch proefschrift opmerkelijk dat de auteur niet op zijn voorgangers ingaat. Couwenbergs boek wordt in de literatuurlijst niet eens vermeld. Ook de belangwekkende bijdragen van bijvoorbeeld Hendrik-Jan Schoo, René Cuperus en Arie van der Zwan over de betekenis van het Hollandse populisme vindt men niet terug.

Deze intellectuele eenzijddigheid is ook daarom opvallend, omdat zowel Couwenberg als ik een gedocumenteerde visie voorleg op de intellectuele en politieke betekenis van het fortuynisme, die in belangrijke mate haaks staat op Wansinks beoordeling. Ondanks onze uiteenlopende politieke conclusies nemen Couwenberg en ondergetekende de nieuwe populistische politiek veel serieuzer, niet alleen wat betreft haar ideologische inhoud maar ook in haar rol als structurele uitdager van het bestaande parlementair-democratische bestel.

Wansinks stelling luidt in één zin: Fortuyn was de afwijking die de Nederlandse politiek weer in haar baan bracht. Hiermee zijn twee dingen gezegd: de Nederlandse politiek heeft een reguliere `baan', waar zij tijdens Paars uit was geraakt, en het fortuynisme was een soort reinigingsritueel dat werd uitgelokt doordat de politiek zijn normale representatieve functies ernstig had verwaarloosd. De `ideologische onderkoeling' onder Paars zorgde voor een taboeïsering van onder het volk levende zorgen en opvattingen. De consensusdemocratie ontaardde in een karteldemocratie, zonder onderlinge concurrentie of geloofwaardige oppositie. Daardoor kon een populistische buitenstaander een `inbraak' plegen in het politieke bestel, en de reguliere ideologische tegenstelling tussen links en rechts ombuigen in een haaks daarop staande niet-ideologische tegenstelling tussen `wij' en `zij', buitenstaanders en gevestigden, het `gewone volk' en de Haagse regentenkliek. De terugkerende metafoor over de `inbraakgevoeligheid' van het democratische bestel laat zien dat de populist voor Wansink niet zomaar een buitenbeentje is, maar een soort insluiper, een dief in de nacht, die misbruik maakt van de nalatigheid van de bewoners van het huis van de democratie, die zijn vergeten om hun deuren en ramen goed op slot te doen.

Wansink zegt eerlijk dat hij niet onder de indruk was van Fortuyns denkbeelden en zijn `behaagzieke' stijl van optreden. Fortuyn was in zijn ogen een verongelijkt man, die zich zag als slachtoffer van de linkse kerk. Maar hij was wél een elektriserende volkstribuun met een fijne neus voor wat `in' was en die perfect wist aan te sluiten bij de waan van de dag. Zijn programma maakte hij volledig ondergeschikt aan de missie om het land te redden. Consistent waren zijn ideeën niet, uitvoerbaar ook niet altijd. De betekenis van Fortuyn ligt dan ook niet in zijn gedachtegoed of in de subtiliteit van zijn beleidsvoorstellen. Hij was geen beginselpoliticus of originele denker, maar een volkstribuun met een authentieke persoonlijkheid.

Niet voor niets meent Wansink dan ook dat Fortuyns pamflet Aan het Volk van Nederland uit 1992 programmatisch gezien zijn beslissende boek was. Hier treft men immers voor het eerst de klassieke stijlfiguren van het populisme aan, vooral de `antipolitieke' kritiek op de partijendemocratie en de gesloten elite van Ons Soort Mensen, de noodzaak van een `grote schoonmaak' onder de regenten en van een directe en persoonsgerichte kiezersdemocratie. Wansink verzuimt daarbij uit te leggen hoe Fortuyn zich kon ontwikkelen van marxist tot sociaal-democraat en vervolgens tot neoliberaal: de expliciete suggestie is dat al die wendingen werden gevoed door een soepel opportunisme.

Wansink maakt geen gebruik van de eerder genoemde bronnen en secundaire literatuur die de ideologische consistentie van Fortuyns gedachtegoed hebben aangetoond. Hij zwijgt bovendien over andere bronnen, inclusief het boek dat Fortuyn zelf en de meeste commentatoren terecht beschouwen als zijn invloedrijkste sleuteltekst: De verweesde samenleving uit 1995. Hier voltrekt Fortuyn een wending naar het gemeenschapsdenken die wel wat méér is dan een correctie op zijn eerdere neoliberalisme, ook omdat hij in zekere zin terugkeert naar motieven uit zijn tijd als overtuigde socialist.

Als cruciaal bewijsstuk voor die opportunistische beïnvloedbaarheid van Fortuyn voert Wansink aan dat deze wat betreft het immigratievraagstuk in 1992 nog links stond van de toenmalige PvdA-staatssecretaris Kosto, en zijn etnocentrische opvattingen dus pas laat ontwikkelde. Fortuyn zou het antwoord op de precaire vraag: is Nederland vol? in 1995 nog schuldig zijn gebleven, en deze stelling pas in 1997 in Tegen de islamisering van Nederland ondubbelzinnig hebben betrokken. Pas in een laat stadium voerde Fortuyn de moslims als volksvijanden ten tonele en pleitte hij voor stopzetting van alle migratie. Maar als Wansink wat meer van Fortuyn had gelezen, had hij kunnen vaststellen dat deze al in oktober 1994 een niet mis te verstane Elsevier-column schrijft met de titel `Nederland is vol' – een opvatting die wordt herhaald in andere columns die onder andere werden gebundeld in Beklemmend Nederland uit 1995. Ook in het hoofdstuk van De verweesde samenleving dat is getiteld `Is Nederland vol?' wordt die vraag bevestigend beantwoord, en onmiddellijk in verband gebracht met de `drastisch afwijkende' cultuur van de islam en een restrictief vreemdelingenbeleid: `Bezien vanuit de achterstandswijken is Nederland zeker vol. Er kan geen vreemdeling meer bij.'

Belangrijker nog is Wansinks onderliggende visie op de betekenis van het populisme zelf. Het is een nadeel dat hij zijn typering van dit verschijnsel vooral baseert op het wel erg stoffige handboek van Ionescu en Gellner uit 1969. Bovendien wijst hij historische vergelijkingen tussen het naoorlogse rechtspopulisme en het vooroorlogse fascisme en nationaal-socialisme zonder enige argumentatie van de hand, wellicht uit vrees voor besmetting door de `demoniserende' uitstraling van het vermaledijde F-woord. Daarbij wordt het historische fascisme op politiek correcte (maar historisch incorrecte) wijze gereduceerd tot louter de belichaming van het politieke Kwaad: tot een cultuur van ongelijkheid, geweld en vernietiging.

Het nadeel is dat het West-Europese neopopulisme daardoor in ideologisch opzicht alleen komt te staan, terwijl er niettemin allerlei verhelderende verbanden met vooroorlogse ideeën en bewegingen kunnen worden gelegd. Langs die vergelijkende weg zou men het populisme bijvoorbeeld in navolging van Cuperus kunnen karakteriseren als `derde weg van rechts': een nieuwe combinatie van politieke ideeën (neoliberalisme plus cultuurnationalisme) die min of meer het spiegelbeeld vormt van (maar ook in sommige opzichten lijkt op) de sociaal-democratische Derde Weg van Blair, Schröder en Kok.

Wansink heeft wél een punt wanneer hij de dominante literatuur over het populisme wil corrigeren omdat zij te veel nadruk legt op het rechtsradicale programma, hetgeen volgens hem onrecht doet aan progressieve elementen in het programma van de Leefbaren, Berlusconi's Forza Italia en de Scandinavische Vooruitgangspartijen. Populisten moeten niet onder de noemer `rechtsradicaal' of `racistisch' bij elkaar worden geveegd. Nuttig in Wansinks boek is inderdaad dat hij het Nederlandse populisme beschrijft als een `tweetrapsraket' en onderstreept dat de `linksige' Leefbaren daarin een cruciale en onmisbare rol hebben gespeeld. De Leefbare beweging mag niet worden gereduceerd tot een opstapje van de rechtse LPF. Wansink is dus gevoelig voor de pikante nabijheid van linkse en rechtse motieven in het populisme. Maar per saldo blijft hij vasthouden aan de klassieke ideologische tegenstelling tussen links en rechts die, hoewel enigszins bijgesteld in postmaterialistische en culturele zin, moet worden beschouwd als de centrale en ook normale `verdeelsleutel' van de moderne democratie.

Kortom, het populisme heeft volgens Wansink geen ideologische basis maar is vooral een emotioneel geladen politieke stijl. Het is een anti-intellectualistisch protest tegen de gevestigde orde, dat het wantrouwen exploiteert van het gewone volk dat zich buitengesloten voelt door de elite van de politieke professionals. Het koestert een aversie tegen de vertegenwoordigende democratie en wil die vervangen door directe verkiezingen. Zo kan de politieke Augiasstal worden uitgemest en `het land worden teruggegeven aan de mensen in het land'.

Het probleem met deze definitie is alleen dat Fortuyn noch bijvoorbeeld Haider hier gemakkelijk in past, omdat zij de representatieve democratie niet willen afschaffen maar juist willen versterken met plebiscitaire en personalistische middelen. En kan een aldus omschreven personendemocratie niet gelden als een positief, realistisch en intellectueel gefundeerd programma van democratisering?

Ook Wansink erkent dat het populistisch `intermezzo' de betrokkenheid van de kiezers bij het politieke bedrijf aanzienlijk heeft vergroot, en daarmee de legitimiteit van de democratie heeft versterkt. Maar hij blijft vasthouden aan een rozige visie op het `normale' functioneren van de parlementaire democratie waarin het populisme niet veel meer is dan een incident, dat hooguit een signaalfunctie heeft of kan fungeren als uitlaatklep voor volkse frustraties. Maar de `ontaarding' van de representatieve democratie heeft een veel structureler karakter. De representatieve democratie wordt geplaagd door een sterke oligarchiseringstendens, die ertoe leidt dat er steeds opnieuw nieuwe regentenelites ontstaan. Dat is een onvermijdelijk bijverschijnsel van de professionalisering van de politiek. Dat wil zeggen dat er altijd een mogelijkheid zal bestaan om deze vervreemding tussen volk en politieke klasse te politiseren.

Het `exploiteren' van de tegenstelling tussen gevestigden en buitenstaanders zou daarom voor democraten dagelijkse kost moeten zijn, en geen uitzonderlijke activiteit van antipolitieke populistische winkeldieven. De tegenstelling tussen gevestigden en buitenstaanders, die haaks staat op de klassieke tegenstelling tussen links en rechts en even belangrijk is, moet in een volwassen democratie voortdurend worden opengehouden. Volgens Wansink hebben de Leefbaren en de fortuynisten de `inbraakgevoeligheid' van het Nederlandse politieke bestel overtuigend aangetoond. Maar in plaats van het bestel beter te beveiligen, zouden we naar mijn smaak de inbraakgevoeligheid ervan juist structureel moeten verhogen.

Hans Wansink: De erfenis van Fortuyn. De Nederlandse democratie na de opstand van de kiezers. Meulenhoff, 351 blz. €19,50