Gezoem uit het scheepswrak

De Zwitserse regisseur Christoph Marthaler bouwt zijn voorstellingen op als een muziekstuk, waarbij het lijkt alsof de acteurs het toneel nooit meer zullen verlaten.

De Schotse acteur Graham Valentine is een bonenstaak van een man met aan weerszijden van zijn schedel een slordig vogelnest van haar. Hij oogt alsof hij permanent verdwaald is, al is hij deze ochtend precies waar hij zijn moet, namelijk in het repetitielokaal van theatergroep ZT Hollandia in Eindhoven.

Graham Valentine is vaste acteur van de Zwitserse theatergrootheid Christoph Marthaler, die voor het eerst in Nederland een voorstelling komt maken. Natuurlijk heeft de kleine, gezette Marthaler de lange sladood Valentine meegenomen, naast nog een tweetal andere acteurs en een pianist. Niemand die beter in Marthalers wachtende wereld past dan de verdwaasde kluizenaar Valentine. De acteur heeft een metalig, doordringend stemgeluid, waardoor zijn weinige woorden als stenen uit zijn mond vallen. Als Valentine níet speelt, loopt hij zwijgend door het repetitielokaal, gehuld in een vodderig jasje. Dat jasje draagt hij tijdens en buiten voorstellingen. Hij trekt het steeds aan over de kostuums die de ontwerpsters voor hem bedenken. Het past altijd in de voorstelling.

Op deze septemberdag even na de lunch pakt Christoph Marthaler een pak gestampte muisjes en strooit het bij wijze van roos uit over de schriele schouders van zijn acteur, die in het jasje zitten. Marthaler bekijkt het effect goedkeurend en proeft van de muisjes. Lekker, vooral met een glaasje citroenjenever erbij.

De afspraak, tussen Marthaler en artistiek leider Johan Simons van ZT Hollandia, was helder. Simons zou in Zürich, Marthalers thuisbasis, een voorstelling maken over de bergen, Marthaler in Nederland over de zee. Bij ZT Hollandia dachten ze aan Heijermans' Op hoop van zegen. Marthaler is een regisseur van sferen; zijn voorstellingen ademen altijd min of meer de omgeving waar ze gemaakt zijn, en wat is nou Hollandser dan Op hoop van zegen? Maar Marthaler heeft het stuk voorlopig opzij gelegd – veel te beperkend. In plaats daarvan zijn er voorwerpen verzameld: een plaat van schwärmgitarist Freddy Quinn: die Gitarre und das Meer, en boeken over de watersnoodramp. Een exemplaar van Die Hoffnung auf Segen. Er staan een fles citroenjenever. Bezems en blikken emmers. Plastic maskers met zeemanstronies. Voorlopig zit Marthaler kennelijk op koers tussen Koninginnedag aan de éne en verschraalde bruine kroegen aan de andere kant.

Verder maakt de regisseur toeristische uitstapjes met de acteurs. Ze zijn naar de Zeeuwse waterwerken geweest en hebben mosselen gegeten in Veere. Morgen stormt het; perfect weer om af te reizen naar Zürich – aan de Afsluitdijk wel te verstaan. Of anders Scheveningen.

,,Dit is best moeilijk voor me'', zegt Frieda Pittoors, een van de Hollandia-acteurs die aan de voorstelling meedoen. ,,Ik ben gewend aan het houvast van een tekst. Repeteren is dan: precies de inhoud van wat je gaat vertellen napluizen. Dit project heeft nog geen enkele richting, er is nauwelijks materiaal. Het gaat alleen om sfeer.''

Als de acteurs niet op pad zijn, zingen ze. Vandaag zingen ze zeemansliedjes en Meeres Stille, Schuberts lied over windstilte op zee, op een tekst van Goethe. Ze zingen een lied uit de Shéhérazade-cyclus van Ravel en een aria uit Die Fliegende Holländer van Wagner. De Zwitserse pianist en repetitor Stefan Wirth zorgt dat de acht stemmen klinken als één. En binnen een kwartier leren drie Zwitsers en een Schot, zuiver op hun gehoor, in het Nederlands zingen.

Bij Wagner heeft Marthaler een wachtmotief gevonden dat hem inspireert; de acteurs als de bemanning van een eeuwig spookschip. Gemengd met Op hoop van zegen en Marthalers voorkeur voor eenzame vrouwenfiguren en kleine-jongens mannen, krijg je dan zoiets als dit: de vrouwen wachten voor eeuwig op de mannen, die vertrokken zijn. In werkelijkheid zijn de mannen naar de kroeg. En daar wachten ze totdat ze weer naar huis mogen.

Feestzaal

Daarom vraagt de regisseur 's middags de acteurs om Schuberts Meeres Stille héél zachtjes te zingen. Ze stellen zich op in het repetitiedecor, dat met zijn hekjes en zijn bar doet denken aan een feestzaal op een afgedankt schip. Het pedaal van de piano kraakt en maakt de stilte eens zo nadrukkelijk. Nog zachter moet het, nog zachter, totdat het lied klinkt alsof het gezongen wordt door een koor van verre hommels. ,,Het moet zijn alsof jullie je het lied alleen herinneren'', zegt de regisseur, die van de weeromstuit zelf zacht gaat spreken. ,,Alsof ik bij een scheepswrak kom, mijn oor tegen de wand leg, en dan hoor dat er daarbinnen nog wat gaande is.''

Christoph Marthaler (1951) is een van de succesvolste theater- en operaregisseurs van het hedendaagse Europese festivalcircuit. Hij doorliep het conservatorium in Zürich en studeerde mime bij Jacques Lecoq in Parijs. Sinds een jaar of vijftien maakt hij in Duitsland, Zwitserland en Frankrijk furore met zijn `theatrale liederenavonden', waarin weemoed en slapstick, toneel en zang op wonderbaarlijke wijze samengaan. In zijn opera's laat Marthaler zangers ter aarde storten, in zijn theaterregies laat hij acteurs zingen. Hij laat vaak lange stiltes vallen. Zelfs als er niet gezongen wordt, bouwt hij zijn voorstellingen op als een muziekstuk, op principes als herhaling, rust, versnelling en vertraging. Zijn personages – uitgestotenen, achtergeblevenen, overschot – zitten opgesloten in de immense decors van zijn vaste ontwerpster Anna Viebrock. In wachtruimtes, stationsrestauraties, trappenhuizen. Of, zoals hier, het inwendige van een allang afgedankt schip.

Weken later begint nog steeds elke repetitie met gezang. ,,Dat zingen dient om de groep te verenigen'', zegt Graham Valentine. ,,En het is goed om de emoties los te maken. Bovendien leer je al zingend medespelers te leren kennen. Ik vind het altijd moeilijk om nieuwe mensen te leren kennen. Zingen doorbreekt koudwatervrees en verlegenheid.''

Daarnaast is het zingen het enige houvast voor de acteurs. ,,Volgens mij werkt Marthaler van lied naar lied'', zegt acteur Bert Luppes. ,,De liederen zijn de ankerpunten, daartussen komen bewegingen en stukjes dialoog. Langzaam bedenken we er scènetjes bij, maar waar het uiteindelijk allemaal terechtkomt is nog volkomen onduidelijk.''

De repetities in Eindhoven beginnen om elf uur, maar tegen twaalven is nog niet iedereen er. Dat is niet ongewoon. ,,Het mag hier best wat Duitser worden'', heeft Bert Luppes al eens gezegd. Pas 's middags repeteren de vrouwen – naast Frieda Pittoors actrices Hadewych Minis en Chris Nietvelt en bewegingskunstenares Sanne van Rijn – een gedeelte uit Op Hoop van Zegen. Vier zeemansvrouwen vertellen over de verdrinkingsdood van hun mannen. Af en toe schrikken ze op van een storm, buiten. `Wat is dat?' vraagt Jo dan. `Niets, de wind', antwoordt Knier.

Marthaler zet de vrouwen rechts op een houten bank. De mannen staan onbewegelijk links bij een aftandse bar. Hij experimenteert met de pauzes. Telkens als de vrouwen opschrikken vanwege de wind laat hij de mannen zachtjes murmelen. Eenmaal laat Marthaler de mannen het hele Meeres Stille zoemen, terwijl de vrouwen luisteren. Pas als het lied is weggestorven, mogen de vrouwen zeggen: `O nee, 't was niets.' De mannen mogen niet bewegen terwijl ze mompelen, net zo min als de vrouwen naar de mannen mogen kijken. Zo, glazig voor zich uitstarend, blijft iedere figuur opgesloten in zijn eigen eenzaamheid.

De regisseur werkt niet vanachter een tafel, hij loopt graag over het speelvlak en praat enthousiast en samenzweerderig met zijn spelers. Het liefst staat hij tussen hen in, aan de bar als een van zijn eigen personages, een glas witte wijn in de hand.

Misschien, bedenk je, dat Marthalers figuren daarom altijd opgesloten zitten in de decors van Viebrock. Dat ze daarom altijd al op het toneel zijn als het publiek verschijnt, en er uitzien alsof ze daar wel eeuwig zullen blijven. Deze regisseur kan gewoon niet tegen de tijdelijkheid van zijn medium. Of anders is het zoals dramaturg Paul Slangen zegt: ,,Zijn voorstellingen wekken de indruk van eeuwigheid. Daardoor voel je als toeschouwer je eigen tijdelijkheid, en dat geeft er die weemoed aan.''

Maar dan stort acteur Raphael Clamer in één keer tegen de vlakte. Te veel weemoedigheid is ook niet goed.

Rommelmarkt

Na een maand in Eindhoven verhuizen de acteurs naar Gent, waar de voorstelling in première zal gaan. In de schouwburg is het eigenlijke decor gebouwd; de wanden zijn van een zeldzaam gorig groen, het gemarmerde plafond heeft mooi-treurige vochtvlekken. Er is de bar langs de éne wand, waar Chris Nietvelt de sentimentele platen kan draaien die Marthaler van de rommelmarkt aansleept, en er is de houten bank langs de andere zijwand. Links en rechts zijn twee hoge huisjes, als kapiteinshutten, met daaronder twee wc's.

Nog altijd heeft Marthaler, ditmaal met een biertje, geen haast en hebben de acteurs geen houvast. Totdat er begonnen wordt, hangen ze wat rond in het decor. Clemens Sienknecht zit op een hekje en imiteert een vogel. Daarna voetbalt hij met een toupetje, zet het op zijn hoofd en laat het er weer van afglijden. Hadewych Minis doet een dans met een draaihekje, Raphael Clamer doet turnoefeningen met een ander hek, en Gijs Naber gebruikt de buis van een derde stuk als scheepstoeter. Chris Nietvelt hangt apathisch achter haar bar.

Het lijken jongeren op een pleintje. Het toneel als hangplek. Maar voor iemand die voorstellingen over wachten maakt, is de hangplek het werkterrein.

,,Marthaler is geen regisseur die grote dingen beweert over politiek of maatschappij'', zegt Stefanie Carp, de dramaturge die uit Zwitserland is meegekomen. ,,Hij is een observator; het gaat hem niet om wat mensen zeggen, maar om wat ze doen en hoe ze in de ruimte staan. Het is belangrijk voor hem dat hij veel tijd heeft om te repeteren. Hij moet lang naar zijn spelers kunnen kijken. Hij zoekt naar spelers die zelf iets kunnen maken, een beeld of handeling. En ze moeten muzikaal zijn. Niet dat ze allemaal perfect moeten kunnen zingen, maar ze moeten de anderen op het toneel aanvoelen, ze moeten voelen wanneer er een stilte moet vallen en wanneer je die stilte weer kan doorbreken. Hij wacht af wat er gebeurt als de spelers hun gang gaan. Hij verzamelt dat, en vormt het tot een symfonie.''

Bert Luppes doet of hij de ramen wast van een van de kapiteinshutten. Vervolgens pakt hij een verfpotje en een penseel. Uit het raam hangend begint hij met het penseel zorgvuldig het bordje van de wc eronder bij te werken, onderwijl Slauerhoffs Denkend aan Holland declamerend. Eerst ernstig, dan ironisch. ,,Is this a well-known text?'' vraagt Marthaler. ,,Dan mág het ironisch.''

,,Het is voor mij wel eens moeilijk dat Marthaler de waarde van een tekst niet precies kan inschatten'', zegt Frieda Pittoors. ,,Hij is typisch een musicus. Ik heb zelf geleerd, nog bij Discordia van Jan Joris Lamers, dat een toneelstuk maken muziekmaken is. In zoverre zie ik mijn tekst ook als muziek. Maar het is voor mij onvoldoende als een regisseur zegt dat ik een tekst goed doe, terwijl hij me niet kan verstaan. Ik zeg een paar gedeeltes uit Pessoa's Ode aan de zee. Ik heb hem woord voor woord laten zien wat ik zeg, hoe mooi de vertaling van August Willemsen is. Soms moet je een beetje voor jezelf opkomen. Ik wil wel dat een regisseur precies weet wat ik zeg. Dat het begrepen wordt.''

Graham Valentine trek zijn gulp open en dicht. Het maakt geluid. De anderen beginnen er met hun eigen gulpen en ritsen muziek van te maken.

,,Dat'', zegt Marthaler, ,,bewaren we voor de volgende show.''

De mannen wachten in een ongemakkelijke rij voor een van de wc's in het decor. De mens als hij zich opgelaten voelt, als hij doorzichtig probeert wankel decorum te houden – de regisseur is er gek op. Tien dagen voor de première zijn de kleine brokjes muziek, dialoog en handeling, waarvan tempo en volgorde ' s middags gerepeteerd zijn, uitgegroeid tot flinke brokken. Materiaal is er genoeg, zegt Sanne van Rijn. Wat heet, ,,als we alles achter elkaar doen, duurt de voorstelling vier uur. Ik heb me laten vertellen dat Marthaler tot het laatste moment wacht totdat hij besluit wat hij kapt en wat niet. Dan krijg je een lijstje met de geschrapte scènes en is er zó anderhalf uur verdwenen.''

Frieda Pittoors spreekt de teksten van Pessoa, het hele ensemble zoemt Schuberts Meeres Stille, met daarin de zin `Keine Luft auf keiner Seite', die precies op die bedompte bar lijkt te slaan. Sanne van Rijn en Hadewych Minis struikelen stomdronken naar de bar. De acteurs gaan vooraan het toneel op de grond liggen om zo een dijk te vormen. Ze zingen gezang 440 uit het liedboek van de kerken: `Ik heb de vaste grond gevonden/ waarin mijn anker eeuwig hecht.'

Zoveel oud bruin, zoveel hoog water – weerspiegelt deze voorstelling niet een nagenoeg verdwenen Nederland?

,,Het wordt inderdaad een wat romantische avond, vrees ik'', zegt dramaturge Carp. ,,Havens, zeelieden, het zijn nou eenmaal ouderwetse motieven. Je kan het hedendaagse Holland daar niet op plakken, dat zou niet passen. In zijn enorme moderniseringsdrift lijkt Holland trouwens wel op Zwitserland. Ook bij ons is alles zo glanzend en perfect. Met al hun geld werken de twee landen er keihard aan om hun verledens uit te wissen.''

,,Ik vind het juist leuk dat de voorstelling zo helemaal niet Amsterdams is'', zegt Frieda Pittoors. ,,Hij gaat meer over een heel ander deel van Nederland, de EO-kant als het ware. In de Randstad lijkt dat Nederland misschien verdwenen, maar schijn bedriegt. Het groeit juist weer, dat heel benepene, dat Balkenende-Bush segment.''

,,Ik denk dat deze voorstelling geen enkele nationaliteit weerspiegelt'', zegt Graham Valentine. ,,Er doen Nederlanders, Vlamingen, Zwitsers en een Schot aan mee. Het decor en de kostuums geven wat suggesties en verder is het aan het publiek. Ook de personages laat ik over aan hun verbeelding. Ik sta op het toneel met niet meer dan een open geest, als een acteur genaamd Graham Valentine. En ik geloof niet dat dat een nadeel is.''

,,Dat ik Kniertje mocht spelen, heb ik helemaal uit mijn hoofd moeten zetten'', zegt Pittoors. ,,Nu ben ik een vrouw die drie zinnen van Kniertje zegt. Wie het stuk niet kent, weet niet dat zij het is. Een oudere vrouw, met een brilletje en een tasje, voor mannen misschien niet meer aantrekkelijk. Een vrouw die wacht, zonder te weten waarop. Ik sta met de anderen in een muzikaal schilderij, waaraan Marthaler tot de laatste dag schildert. Op hoop van zegen, zeg ik elke avond tegen mezelf.''

`Seemannslieder' door ZT Hollandia in coproductie met Volksbühne Berlijn. Première vanavond, Publiekstheater Gent. Nederlandse première 17/11, Schouwburg Rotterdam. Tournee t/m 10/1 2005. Informatie www.zthollandia.nl