Een laatste glas

Guus Middag luistert naar Nederlandstalige liedjes. Vandaag naar `Morgen begin ik meteen', een herfstlied van Huub van der Lubbe.

Het is een wat ouwelijke stem die na een kort intro langzaam begint te zingen: Huub van der Lubbe op zijn novemberst. Wat hij zingt is herfstig, in de geest van J.C. Bloem en Jean Pierre Rawie. `Zo heb ik vaker gezeten', vertelt hij ons, met bijna gebroken stem (ge-ze-he-ten), `laat in de nacht, met een glas' (gla-has). De situatie is meteen duidelijk: `en ik mijmer, en mors met mijn as'. Men wordt wat onvast ter hand, zo laat op de avond, na het nuttigen van een of meer glazen, zeker als men er ook nog bij rookt: `met mijn shag, en een joint,/ en het is niet gezond.' Daar kun je ook meteen aan horen dat het dichten onder al die genotmiddelen te lijden heeft. Voor het rijm is een joint blijkbaar niet zo gezoind.

De zanger weet het zelf eigenlijk ook wel: al dat drinken en roken tot diep in de nacht, dat zou een verstandig mens toch niet moeten doen. Elke keer krijgt hij er weer spijt van. `Ik ken de gedachten die komen gaan,/ gevolgd door een plechtig besluit./ Ik heb het al vaker gezegd,/ maar nu doe ik het echt:/ nog één en dan schei ik ermee uit.'

Hier spreekt een wilskrachtig mens. Hij neemt er nog één (dus, sterke wil, geen twee of drie) en dan moet het maar eens afgelopen zijn. Hij gaat zich vermannen, zichzelf eens flink door elkaar schudden en tegen het licht houden – en dan zal er een heel nieuwe wind gaan waaien: `Keer mezelf binnenstebuiten,/ raap mezelf eindelijk bijeen,/ pak het voortaan heel anders aan,/ morgen begin ik meteen.' Mooi naturel gezongen, in een beetje slepend tempo, met een droevig pianootje erachter (Jan Robijns) en een weemoedig hammondorgel (ook Jan Robijns).

Het lied is dan precies anderhalve minuut oud. Alles is al gezegd, de zanger weet wat hij morgen gaat doen, dus waar is het wachten nog op? De drinker kan naar huis, de kroeg kan sluiten, het lied kan stoppen en de trage kroegpoëzie kan vervangen worden door een heldere tabel met frisse fitnessactiviteiten. Alleen enkele slappelingen zoals u en ik menen dat het bij het onderwerp past om toch nog even te blijven zitten en alvast wat vooruit te peinzen over die dag van morgen.

Dan dringt ook langzaam de clou van het lied tot ons door. `Morgen begin ik meteen.' Maar `morgen' is niet hetzelfde als `meteen'. De veel te lange pauze tussen `morgen begin ik' en `meteen' verraadt veel te veel aarzeling. En dan snappen we ook beter dat deze zanger nog een minstens zo lang durende tweede helft nodig heeft. Moet hij dan maar zijn hele leven veranderen? Een andere kleur ogen nemen, een ander hart, een ander mens worden, `nu het nog kan'? Het heeft iets aanlokkelijks om nog één keer in je leven helemaal opnieuw te beginnen, `alsof er nog niets is gebeurd'.

Dan zingt de zanger nog maar eens zijn refrein over zijn verlangen het voortaan heel anders aan te pakken. We zien hem zitten, op zijn kruk, aan het einde van een lange avond. De duisternis is gevallen, de kroeg gaat sluiten, wezenloos moment tussen nacht en dag, tussen verleden en toekomst. Hij wil graag krachtdadig klinken, maar het lukt niet erg. `Morgen begin ik', neemt hij zich nog één keer voor, `meteen'. Er is niemand die hem gelooft. Nog maar een keer, om in ieder geval zichzelf te overtuigen. `Morgen begin ik... meteen.' Vanavond zit hij er weer.

Een fragment van `Morgen begin ik meteen' is te beluisteren via www.nrc.nl