Een groot filmer zou hij worden

Pas de laatste jaren vond cineast Theo van Gogh een stijl waaruit zijn grote talent bleek. Zoals in `0605'.

Zijn laatste film grijpt je bij momenten naar de keel.

Dinsdag had Theo een afspraak met Sandra den Hamer en mij om de ruwe versie van zijn nieuwe film 0605 te bekijken. Sandra in haar hoedanigheid van directeur van het International Film Festival Rotterdam, en ik als vriend. Theo's dood die ochtend wiste alle voornemens uit de agenda. Totdat ik in het betraande gezicht keek van Merel Notten, die de film met Theo heeft gemonteerd. Zij drong erop aan toch te gaan kijken: dat zou Theo hebben gewild. Producent Gijs van de Westelaken bevestigde dit; Theo vond het belangrijk dat we keken, en dat moesten we dan maar doen.

Ik belde Sandra. Het vooruitzicht filmbeelden te gaan bekijken over de moord op Pim Fortuyn, beelden van diens lichaam liggend op straat, omringd door politie en ambulancepersoneel, dat vooruitzicht was verschrikkelijk.

`Dat zou Theo hebben gewild.' Ongemakkelijke associaties met Mat Herben en zijn kliek : `Dat heeft Pim zo gewild.' `In de geest van Pim.'

Maar we zijn gegaan. Voor Merel en Gijs. En omdat het aan het eind van die belachelijke dag uiteindelijk een goede optie was om je op te sluiten in een montagekamer en aan niks anders te denken dan aan wat je voorgeschoteld zou krijgen op de monitor, Theo's laatste film.

Een groot filmer zou hij worden. De Van Gogh van het witte doek. Of de hollandse Fassbinder, zoals schrijver Heere Heeresma ooit voorspelde. Hij was pas 23 toen hij zijn eerste speelfilm draaide, en de volgende 24 jaar zouden er nog dertien volgen, een fors aantal voor een Nederlandse filmmaker. Maar niet genoeg. Niet genoeg om het talent van Theo voluit te ontwikkelen. Het aantal is bedrieglijk: het produceren ging hem veel en veel te langzaam, hij trof bureaucratische en financiële obstakels op zijn weg, heel gewone obstakels voor een Nederlandse filmmaker, waardoor hij vaak dacht nooit meer een film te kunnen maken. Dat hij nu veertien films achterlaat is te danken aan de opoffering van alles wat anderen beschouwen als onontbeerlijk comfort, aan de vernederingen die hij slikte om met domme televisieprogramma's geld te verdienen dat hij in zijn films kon stoppen, en aan de honderden kleine en grote compromissen die hij sloot om met de beschikbare middelen zijn muze te dienen. Hij werd er vaak erg neerslachtig van. Zat hij maar in Amerika.

De laatste jaren leek Theo eindelijk een eigen signatuur te ontwikkelen, een heel andere dan ik twintig jaar geleden verwachtte: beelden snel op het doek gekwakt als de neerslag van een ongedurig temperament, felle urgente gebaren. Ik dacht nog even aan de furieuze kwast van die andere Van Gogh.

Een blonde engel, vond ik hem, en een innemende schavuit, toen hij als 24-jarige mijn kantoor binnenstapte met een filmblik onder de arm. Lang blond haar in krullen, heldere blauwe ogen, nauwelijks baardgroei op een glad gezicht waar het babyvet nog op zat. Hij stak een verhaal af over de Nederlandse filmwereld die hem niet moest en die zijn eerste film Luger de grond in had geboord. ,,Van je collegaatjes moet je 't maar hebben'', jubelde Theo. Hij wilde op de televisie. En het VPRO-programma BGTV waarover ik in die dagen de scepter zwaaide leek hem een geschikt platform. We zouden, zo was zijn suggestie, de meest beschimpte scènes kunnen vertonen, met commentaar van een criticus en een weerwoord van het jonge genie.

Een mooie film vond ik het, hoewel ik het verhaal niet kon volgen. Duister, macaber, met veel sfeer en zwarte humor. ,,Een Haagse lefgozer ontvoert een achterlijk meisje en haalt nog andere smeerlapperij uit. Hoewel bedoeld als een alarmerende schets van een fascistische mentaliteit, kan deze film door de argeloze waarnemer ook opgevat worden als een grove oefening in zieke humor.'' Zo omschrijft de Speelfilm Encyclopedie Luger. In 1981 waren er veel `argeloze kijkers' die uitsluitend zieke humor zagen. De Telegraaf schreef: ,,Ieder dubbeltje aan deze film besteed, is een gift aan de duivel.''

De blonde engel uit Wassenaar die kwam leuren met zijn film leek me intelligent, erudiet, en razend scherp. Zijn fascinatie voor het kwaad, de dood, verraad en sadisme paste bij het vertrouwde beeld van de romantische adolescent. Maar Theo ging verder. Met grollen en smakeloze grappen stak hij de draak met zijn eigen fascinatie. En hij introduceerde een heel ander soort mannelijke hoofdrol dan gebruikelijk was in het genre van zijn leeftijdgenoten: niet de eenzame, vervreemde, onbegrepen, dichterlijke en vooral integere figuur die zich te pletter loopt op de kille corrupte maatschappij, maar de eenzame immorele schoft. In Luger was geen goedheid te bekennen, als je de woede van Theo niet meevoelde, de woede omdat hij geen uitweg zag uit het sadistisch universum. Wat de mens restte, schaterde hij veel te luid, was tragisch gespartel, perversiteit. Maar toch, de woede verried hoop tegen beter weten in. Engagement.

Op de televisie vertoonde ik twee omstreden fragmenten: de schoft duwt de loop van een revolver in een vagina en haalt de trekker over; twee poezen worden in de wasmachine geduwd en draaien rond. De eerste scène lokte geen reacties uit. Maar de arme poezen deden het bloed koken van heel wat kijkers. Men begreep het principe van montage niet: het ronddraaien van de diertjes in hete sop was suggestie. Een delegatie ernstige mannen van de dierenbescherming kon de montageles die Theo hen aanbood nauwelijks bevatten. Militante dierenvrienden bedreigden Theo en de VPRO-redactie per telefoon.

De protesten en dreigementen brachten ons aan de praat over vrijheid van meningsuiting. Ik was nog niet zo lang in Nederland terug na acht jaar in New York te hebben gewoond, en die jonge snuiter uit Wassenaar – ik ben 13 jaar ouder – verraste mij aangenaam omdat hij op de hoogte was van een zaak, die anderen in Nederland weinig zei. In 1977 hadden Amerikaanse neo-nazi's een mars aangekondigd door Skokie, een voorstadje van Chicago waar veel joodse overlevenden van de Holocaust woonden. Dit schiep een principieel conflict: het recht op vrije meningsuiting van de neo-nazi's tegenover het recht van de joodse slachtoffers om te leven zonder intimidaties. Met pijn in het hart besloot de ACLU (American Civil Liberties Union), die geleid werd door joden, dat de vrije meningsuiting van de neo-nazi's moest worden verdedigd. Wat volgde was hartverscheurend. Joodse advocaten, die de verantwoordelijkheid aanvaardden voor het leed dat de neo-nazi's zouden veroorzaken bij de kwetsbare joodse bevolking van Skokie. Maar zij konden niet anders: de vrijheid van meningsuiting mocht niet worden beknot door politie of politici; dat wisten juist de joden uit ervaring: vandaag wordt de mond van de neo-nazi's gesnoerd, morgen die van de joden.

Theo bleek de zaak te hebben gevolgd, en was er door ontroerd en begeesterd. Familieleden hadden in het verzet gezeten, een oom – oom Theo – was in de oorlog geëxecuteerd. So what? Wat hem irriteerde was dat zelfs in het Wassenaar waar de NSB zo goed had geboerd iedereen na de oorlog veinsde `goed' te zijn geweest. Vandaar de hoofdrol voor een fascistische lefgozer in Luger (Thom Hoffman). Dat soort lui had het voor het zeggen, en zou dissidenten of onwelgevallige bevolkingsgroepen monddood maken. Je moest je verzetten, vond Theo, maar het was hopeloos. Uit cynisme en vrolijke wanhoop kon je je ook vereenzelvigen met het geboefte, wel zo handig. Dan kwam de grijns en fietste hij de nacht in als een montere Don Quichotte.

Mijn dochter Tara speelde het gehandicapte meisje in Theo's tweede film Een Dagje naar het strand. Zij mocht met een kunstbeen over het strand van Scheveningen sjouwen, begeleid en soms vergeten door haar alcoholische vader (mooie rol van Cas Enklaar). Zelf had ik een rolletje als een besnord louche type, een karakter dat later aan de columnist Max Pam zou worden overgelaten (in Terug naar Oegstgeest en Loos).

Heere Heeresma, op wiens boek de film was gebaseerd, vond Theo's versie veel beter dan de eerdere gelijknamige film van Roman Polanski. En hij had gelijk.

Wéér die duisternis en eenzaamheid en desolate sfeer; wéér die grollen die de film uit zijn ritme halen en die dienen om de ernst te ondermijnen, waardoor alles nog wanhopiger wordt.

Theo had een gevoel te pakken en een stijl die stond als een huis.

Maar helaas lukte het maar niet een volgende film van de grond te krijgen. Gefrustreerd maakte hij een tussendoortje – Charlie – , een grotesk verhaal in mooi zwart-wit over twee verleidsters die mannen in bed lokken om ze op te eten. De castratiescène viel niet overal in goede aarde. Ik vond het wel een aardig ding, vooral uit filmisch oogpunt: goeie camera, mooi licht, lekkere nare sfeer. Maar een beetje dun. Dat kwam vooral door de haast waarmee het scenario was geschreven, het geld bijeen was geschraapt, en de korte opnametijd. Later zou blijken, dat dit een patroon werd in Theo's loopbaan.

Maar op dat moment, na Charlie zag het er toch nog goed uit. Theo was begonnen te bouwen aan een brutaal naargeestig, maar ook fraai oeuvre. Soms vervloekte hij zijn ouders om het feit dat zij als goede sociaal-democraten die nog geloofden in de culturele verheffing van het volk, de collectie schilderijen van Vincent van Gogh hadden overgedaan aan de gemeenschap. Ze hadden er toch wel ééntje aan hun zoon kunnen geven om zijn films mee te financieren. Wat zou hem dat een hoop vernederend geschooier hebben bespaard.

Eindelijk, in 1987, kwam dan de volgende film. Het had lang geduurd, veel te lang voor Theo. Tenslotte had hij de verfilming van het boek Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers aanvaard. Zijn eigen scenario's waren gestrand, en hij moest wat. Eenmaal aan de gang stortte Theo zich met volle overgave op het project. Het resultaat werd redelijk positief ontvangen. Maar ik was een beetje teleurgesteld. De duistere lyriek was weliswaar niet helemaal verdwenen, maar uit veel shots en scènes leek de adem weggeknepen. Zij leken functioneel, als bouwstenen van de `plot'. De gruwelijke terreur van het gereformeerde geloof binnen het gezin werd niet goed voelbaar. Of misschien was het een te bekend verhaal. De pogingen om surreële elementen in het verhaal op te nemen slaagden maar half; de fantastische scènes bleven soms steken in het cabareteske.

In Loos (1989) was tot mijn genoegen de alcoholische immorele mannelijke hoofdpersoon terug. Maar ondanks een paar mooie wrange scènes ging de film ten onder aan een overdaad aan grappen en een rammelend scenario.

Ik was de draad kwijt. De existentiële ellende van Theo's eerste films was gevat in een lyrische stijl, nu leek de hand onvast, en kreeg de kolder de overhand.

De jaren negentig wezen uit dat Theo vooral gedijde in kleine zwartgallige relatiedrama's. De grotere films mislukten. Vooral bij Blind Date kreeg ik weer eens ouderwets de rillingen, en zag ik het oude talent opleven.

Intussen waren we elkaar minder gaan zien. Als we ergens aten riep Theo: ,,Hé gozer, schrijf es wat voor me. Ik betaal.'' Er kwam niets van, en gelukkig vond hij productievere vrienden.

Zelf zag Theo inmiddels heel goed in dat hij zijn talenten het best verder kon ontwikkelen in kleinschalige projecten. Die waren tenminste te financieren en te realiseren, meestal voor de televisie. Met In het belang van de Staat, De nacht van Aalbers (geschreven door Thomas Ross), Hoe ik mijn Moeder vermoordde (samen met scenarist Theodor Holman), en de serie Najib en Julia (Justus van Oel) leverde hij heel knap werk als verfilmer van andermans scenario's, voor weinig geld, snel gedraaid (waardoor omroepen als de VARA en de AVRO voor een dubbeltje op de eerste rang zaten). Theo's veelbezongen kwaliteiten als acteursregisseur werden in deze producten aangevuld met een behendige meercameraregie. Maar nog belangrijker: hij vond een nieuwe vorm voor zijn engagement.

Doorgaand op deze weg zou Theo zijn nieuwe handschrift ontwikkelen, ook voor de bioscoopfilm. Hij zou, inmiddels alweer 47 jaar oud, met een maagballon tegen overgewicht, toch nog een grote kunnen worden. Dat dacht hij ook. Hij won Gouden Kalveren en zou er nog meer winnen. Vluchten naar Amerika kon nu nog moeilijk, met alle verplichtingen hier thuis, maar later, met nieuw mooi werk dat gelauwerd zou worden op de grote internationale filmfestivals, zou de oversteek nog wel te maken zijn.

Voordat Sandra den Hamer en ik onze opwachting maken in de montagekamer van Merel Notten voor de preview van 0605 horen wij op radio en televisie de reacties op de moord op Theo. Men is geschokt, dit is een aanslag op de democratie, op de vrijheid van meningsuiting, de politiek faalt, laten we oppassen voor polarisatie. Theo's lichaam is pas twee uur weg uit de Linnaeusstraat wanneer de monitor begint te flikkeren. Kort daarna is Pim Fortuyn opnieuw vermoord, en krijgen wij de frasen nog eens opgelepeld: men is geschokt, dit is een aanslag op de vrijheid van meningsuiting, op de rechtsstaat. We zijn murw en trillerig. Niet vanwege Fortuyn, die ik niet kende, maar omdat de gedachte aan Theo ons niet losliet.

Toch zou de film, ook los van de moord van dinsdag, indruk hebben gemaakt.

0605 (wederom geschreven door Thomas Ross) is bedoeld als spannende thriller. En zo werkt hij ook wel. Een fotograaf ontdekt dat de geheime dienst Pim Fortuyn laat vermoorden om in zijn plaats Mat Herben in de Tweede Kamer te krijgen. Herben zou voor een meerderheid in de Kamer zorgen voor de aanschaf van de JSF-gevechtsvliegtuigen, waar Fortuyn op tegen was. Een groot deel van 0605 wordt de kijker meegevoerd in het spannende, maar niet altijd duidelijke kat-en muisspel tussen de geheime dienst en de fotograaf.

De geheime dienst heeft, zo ontdekt de fotograaf, een militante dierenvriend tot de moord aangezet. De vriendin van de moordenaar speelt een dubbelrol, en wordt op haar beurt ook weer bedonderd door haar geheime minnaar die voor de dienst blijkt te werken.

Allemaal spannend en vermakelijk, en hier en daar stemt deze politieke speculatie tot nadenken.

Maar de film grijpt je pas echt naar de keel wanneer Theo van Gogh werkt met archiefbeelden. In de beste traditie van agitprop, als een Michael Moore, monteert hij de arrogante politieke leiders in hun confrontaties met Pim Fortuyn. De meedogenloze opeenvolging van tendentieuze uitlatingen vindt zijn climax in de schoffering door mediaregent Marcel van Dam. Na deze compilatie slik je graag de suggestie van 0605 dat de geheime dienst en de duistere JSF-lobby de demonisering van Fortuyn hebben gebruikt als rookgordijn voor de moord: de linkse activist had een motief gekregen en leidde af van de werkelijke daders.

Na de dood van Fortuyn laat Van Gogh dezelfde politici terugkeren, nu met bedremmelde koppen en hol klinkende verontrusting. In deze montage zien ze er schuldig uit.

Die avond zie ik op de televisie minister Rita Verdonk een menigte toespreken op de Dam. ,,Dit moet stoppen'', roept zij over de moord op Theo.

Het zal wel, denk je na het zien van 0605.

Theo was aan het groeien, productiever dan ooit. Hij was er nog niet als de internationaal befaamde Van Gogh van het witte doek. Niet naar zijn eigen maatstaven. Maar nu krijgt hij die status postuum misschien alsnog. Juist doordat de productie is gestopt, de hernieuwde belofte gesmoord.

`0605' is op 12 december op internet te zien en beleeft zijn bioscooppremière op het Internationaal Filmfestival Rotterdam, 26/1 - 6/2 2005, inl.: www.filmfestivalrotterdam.com/nl