De snackbar van Bush

Zo aantrekkelijk als een `Straatsburg-conferentie van ministers' noemt de Britse pers de kunst van de kandidaten voor de Turner Prize 2004. Maar wie zich niet laat afschrikken ziet beelden om nooit te vergeten.

ubtieler kan een monument nauwelijks zijn. Een piepklein zwart fietsje, met ijzerdraad gebonden aan een lantarenpaal in het centrum van Londen, markeert de plek waar een aantal jaren geleden een fietser werd doodgereden door een dronken automobiliste. Het slachtoffer was James Foster, een Australiër die tijdelijk in Engeland woonde. De vrouw in de auto was al eerder aangehouden voor rijden onder invloed. Ze reed zonder rijbewijs.

Tot twee weken geleden had niemand ooit van James Foster gehoord. Nu prijkt zijn naam aan de museumwand van Tate Britain, naast een foto van het fragiele herdenkingsteken. De onbekende Australiër heeft het aan de Britse kunstenaar Jeremy Deller te danken dat hij van de vergetelheid is gered. Talloze museumbezoekers zullen de komende tijd zijn naam onder ogen krijgen. Want Jeremy Deller (1966) is een van de vier genomineerde kunstenaars voor de Turner Prize, de belangrijkste Britse kunstprijs die dankzij de bijbehorende expositie en de gegarandeerde media-aandacht ieder jaar weer hordes mensen (gemiddeld zo'n dertienhonderd per dag) naar de Tate weet te trekken.

Deller richtte nog vier gedenktekentjes op – al dan niet met toestemming van de gemeente – voor personen en gebeurtenissen die al net zo min voor de hand liggen. Zo plaatste hij op een parkbankje in de buurt van het huis van Brian Epstein een koperen plaatje ter nagedachtenis aan de in 1967 overleden Beatles-manager. Voor de Empire Windrush, een schip dat in 1948 de eerste Jamaicaanse immigranten naar Engeland bracht, maakte hij een kleurig wandkleed dat nu ergens in het Londense havengebied hangt. De andere twee monumentjes herinneren aan de legendarische mijnstakingen van 1984, waarbij talloze mijnwerkers door politiegeweld gewond raakten en een van hen, Joe Green, de dood vond.

Five Memorials (2004), op de Turner-expositie gedocumenteerd door middel van tien ingelijste foto's, is een even genereus als bescheiden kunstwerk. Het is een gul geschenk aan de betrokkenen, maar het wil niet imponeren, zoals monumenten meestal doen. Eerder spelen de kleine ingrepen in op de verwondering van de toevallige passant die, al is het misschien maar een tel of wat, op andere gedachten wordt gebracht.

Daarmee is Jeremy Deller een nogal atypische finalist. Ingetogenheid is doorgaans geen eigenschap die Turner-tentoonstellingen – en hedendaagse Britse kunst in het algemeen – kenmerkt. De afgelopen jaargangen stond de Turner Prize steevast garant voor ophef. De getoonde kunst was vaak extravagant, provocerend of extreem. Het was kunst die om aandacht schreeuwde en die ook ruimschoots kreeg, van zowel pers als publiek. Iedereen herinnert zich nog de collectieve verontwaardiging over het onopgemaakte en bevuilde bed van Tracey Emin, of over de toekenning van de hoofdprijs van twintigduizend pond aan Martin Creed, een kunstenaar die niet meer liet zien dan een lege zaal waar het licht af en toe aan- en uitfloepte.

Dit jaar koos de jury daarentegen voor vier bloedserieuze kunstenaars. Jeremy Deller, Kutlug Ataman, Yinka Shonibare en het duo Ben Langlands & Nikki Bell hebben allemaal hun sporen verdiend met gedegen, sociaal of politiek geëngageerde werken. Hun kunst – voornamelijk films en video's – strijkt niet tegen de haren in, maar wil juist begrip kweken voor andere culturen en opvattingen. Dat is even wennen, want tot nu toe hield de Turner Prize zich altijd afzijdig van politieke kunst. De Britse kunst die de laatste jaren met zoveel succes geëxporteerd werd, was in de eerste plaats persoonlijk. Denk aan de door Tracey Emin en Grayson Perry op quilts en vazen verbeelde jeugdtrauma's, of aan de ouderlijk-huisfoto's van Richard Billingham. Maar dit jaar kon zelfs de Turner Prize niet meer om de tendens heen die zich al sinds enkele jaren aftekent op internationale tentoonstellingen en

biënnales: dat kunst zich steeds meer verhoudt tot de samenleving.

Goed, er was traditiegetrouw ook dit jaar weer een piepklein relletje. Een werk van Langlands & Bell, het kunstenaarsduo dat in 2002 door het Imperial War Museum was ingehuurd om verslag te doen van de gevolgen van de oorlog in Afghanistan, werd daags voor de opening van de expositie verwijderd. Niet omdat hun video Zardad's Dog, een registratie van de eerste rechtszaak in Kabul sinds de val van de Taliban, schokkend materiaal bevatte, maar omdat er een in Engeland terechtstaande krijgsheer in voorkomt. Het kunstwerk zou het verloop van de rechtszaak tegen deze Sarwar Zardad kunnen beïnvloeden.

Voor de toeschouwer is de expositie van de Turner Prize 2004 een behoorlijke kluif. Neem alleen al de lengte van de films en video's: wie ze allemaal wil uitzitten moet daar ruim zeven uur voor uittrekken. En dan hebben we het nog niet eens over de foto's, dia-installatie, computeranimatie, wandschildering en beelden – de schilderkunst blijft bij de Turner een ondergeschoven kindje – die de tentoonstelling ook nog te bieden heeft, of over de stapels leesvoer die er ter inzage liggen. Wie dat wil, kan het complete rapport over de dood van dr. David Kelly inzien, alles te weten komen over Quakers in Texas of een compleet overzicht krijgen van de Non Governmental Organisations (NGO's) die momenteel werkzaam zijn in Afghanistan.

Saaiheid

Gedegen, leerzame kunst krijgt het publiek hier dus voorgeschoteld, kunst die toewijding en concentratie eist van de beschouwer. Voor de Britten staat dat zo'n beetje gelijk aan saaiheid. En daarvan zijn ze niet erg gecharmeerd, zo blijkt uit de zure recensies in de Engelse kranten. Een drietal woorden keert daarin opvallend vaak terug: `lame', `dull' en `boring'. ,,Tate Britain presenteert de Starbucks der kunsttentoonstellingen'', schreef de Daily Telegraph. ,,Een show met vrijwel inwisselbare kunstenaars die allemaal met film en video werken en allemaal op dezelfde, voorspelbare manier politiek geëngageerd zijn.'' The Times noemde de tentoonstelling ,,net zo visueel aantrekkelijk als een Straatsburg-conferentie van ministers''.

Toch loont het om de tijd te nemen. De video-installatie Twelve (2003) van de Turks-Engelse kunstenaar Kutlug Ataman (1961) bijvoorbeeld, over mensen die geloven in reïncarnatie, ontvouwt zijn geheimen pas als je er echt voor gaat zitten. Zes videoschermen, met daarop de levensgrote portretten van vijf mannen en een vrouw, hangen kriskras in de verduisterde ruimte. Iedere video duurt ongeveer een uur. Maar wie zich daardoor niet laat afschrikken, zal geraakt worden door de verhalen van het zestal. Die zijn fascinerend.

Ataman filmde Twelve in een dorpje in het zuidoosten van Turkije, vlakbij de grens met Syrië. De leden van de kleine Arabische gemeenschap zijn ervan overtuigd dat iedereen herboren wordt. Maar alleen degenen die op gewelddadige manier om het leven zijn gekomen, of door ziekte of een ongeluk te vroeg gestorven zijn, kunnen zich hun vorige leven nog herinneren. Zou iedereen zo'n goed geheugen hebben, dan was de huidige orde in de dorpsgemeenschap niet meer vol te houden. En die is zo al ingewikkeld genoeg.

Zo vertelt een man met baard en een geel gebreid mutsje over zijn dood in 1946, toen hij met paard en wagen onder de trein kwam. Hij was toen 32 jaar, had twee kinderen, en zijn vrouw was zwanger van de derde. Nu, in zijn nieuwe leven, loopt hij tegen de zestig. Zijn oudste dochter uit zijn vorige leven heeft ongeveer dezelfde leeftijd. Zij gelooft hem, vertelt de man. En om ook ons te overtuigen, toont hij het litteken op zijn hoofd aan de camera. Dat is de plek waar zijn hersenen uit zijn schedel werden geslagen.

Op een ander scherm vertelt een jonge, aan alcohol verslaafde man dat hij vroeger rijk was en nu arm. God wil hem op deze manier een les leren, denkt hij. De man stierf door een ongeluk op de Duitse Autobahn. Als hij het over zijn vorige leven heeft, zegt hij ,,in mijn andere huid''. De eerste keer dat hij zich van zijn wedergeboorte bewust werd, was op vierjarige leeftijd, toen hij naar zijn ,,andere moeder'' ging vragen. Nu herinnert hij zich weer precies hoeveel verdriet zijn toenmalige vrouw had toen hij doodging. Zij moet nu ongeveer vijftig jaar oud zijn. De man die vroeger zijn broer was, is nu zijn vader. Zijn eigen graf heeft hij nooit bezocht.

Het zijn verbijsterende verhalen, maar ze worden verteld alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Voor deze dorpelingen is reïncarnatie onderdeel van het dagelijks leven. Vrijwel iedereen is opgenomen door hun families uit vorige levens. Daar wordt niet over opgeschept of moeilijk over gedaan. Al geeft een enkeling toe dat het wel eens lastig is: ,,Je weet niet of je je kinderen als vriend of als vader moet benaderen. We hebben dezelfde leeftijd. Het voelt alsof er twee mensen in hetzelfde lichaam leven. Moet ik mijzelf zijn of de ander?''

Ataman, die eerder al eens een acht uur durende video maakte over een Turkse operazangeres, geeft hun de tijd om uit te weiden. Hij grijpt niet in, stelt geen vragen, monteert nauwelijks. Als filmmaker blijft hij op de achtergrond, onzichtbaar. Techniek interesseert hem niet; de statische beelden hadden door iedereen met een eenvoudige videocamera geschoten kunnen worden. Atamans gave is dat hij zag hoe bijzonder deze mensen waren en dat hij ze de tijd en ruimte gaf om hun verhaal te doen. Zijn werk is, net als dat van Deller, bescheiden en genereus tegelijk.

Onmisbare gekte

En toch, als ik zou mogen kiezen tussen Ataman en Deller, dan zou mijn stem naar de laatste gaan. In Dellers werk zit een soort gekte die onmisbaar is voor een kunstenaar. Bestudeer zijn wandschildering The History of the World (1997-2004), waarin hij door middel van een onnavolgbaar diagram probeert duidelijk te maken dat fanfarekorpsen en housemuziek meer met elkaar gemeen hebben dan je zou denken. En kijk vooral naar Memory Bucket (2003), een verslag van zijn reis naar Texas, dat de meest gedenkwaardige scène van de tentoonstelling bevat.

De film begint als een Michael Moore-achtige documentaire over het hart van Bush-country. Deller bezocht politiek beladen locaties als Mount Carmel in Waco, waar sekteleider David Koresh en zijn aanhangers in 1993 om het leven kwamen toen zij werden belegerd door de FBI, en Crawford, thuishaven van de president. Hij sprak er met een aantal opmerkelijke personen, zoals de serveerster van de diner waar Bush steevast onion rings eet als hij in de buurt is, en een man die het drama van Mount Carmel overleefde.

Tot zover niets bijzonders. Maar dan volgt plotseling een overweldigend slotakkoord dat al het voorgaande in een ander daglicht stelt. Het begint met een beeld van de ingang van een grot bij zonsondergang. Een bordje waarschuwt voor hondsdolheid. En opeens, alsof er zojuist een startschot heeft geklonken, vliegen er drie miljoen vleermuizen de avond in. Grillige patronen vullen de lucht. Het geluid is onverdraaglijk, alsof talloze vliegen gelijktijdig tegen de elektrocuteermachine aanvliegen. Het is een apocalyptisch visioen, en een beeld dat zich voor altijd in je geheugen nestelt. En ergens is het ook wel weer een relativerende gedachte, dat die vleermuizen al duizenden jaren hetzelfde ritueel volgen, avond na avond. En dat zij gewoon zullen blijven uitvliegen, ook nu Bush aan zijn tweede termijn mag beginnen.

De impact is vooral zo groot omdat de stroom minutenlang blijft aanhouden, met honderden vleermuizen per seconde, tot het kippenvel al je lichaamsdelen bereikt heeft. Waar een normaal mens het shot allang had afgebroken, gaat Deller door. Die eigenzinnigheid onderscheidt de kunstenaar van de documentairemaker.

Bij de Engelse bookmakers is Jeremy Deller vanaf de bekendmaking van de nominaties al favoriet. Wie op hem wedt, krijgt 6 tegen 4 uitbetaald. En ook het Tate-publiek, dat zoals altijd in de laatste zaal van de expositie zijn voorkeursstem mag uitbrengen, lijkt Deller de beste kandidaat te vinden. Of beter gezegd: de minst slechte. Want op een enkele positieve reactie na (,,Heel goede feitelijke info. Zet je aan het denken!'') liegt het commentaar op de prikborden er niet om. ,,Mijn God! Ik wou dat ik meer tofu in Chinatown had gekocht van het geld dat ik hier heb verspild'', schrijft iemand. ,,Ik verlang naar het overlijden van de video-installatie'', zegt een ander. ,,Van alle jaargangen die ik gezien heb is dit de minst fantasierijke wat betreft vorm'', staat er in sierlijke potloodletters op een van de briefjes. ,,Geen kunst geen smaak.'' En eronder, in een ander handschrift: ,,Heb je soms met je ogen dicht rondgelopen?''

De Nigeriaans-Britse kunstenaar Yinka Shonibare is een andere publiekslieveling, en dat is gezien de verleidelijke kleurenpracht van zijn werk niet zo verwonderlijk. Sinds de jaren negentig maakt hij barokke beelden van rijkgedecoreerde stoffen, zoals onlangs nog te zien was op zijn tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen. Zijn punt is dat deze zogenaamd typisch Afrikaanse stoffen, die hij met rollen tegelijk koopt op de markt in Brixton, eigenlijk afkomstig zijn uit Indonesië. De speciale batiktechniek werd door de Nederlandse kolonisator geïndustrialiseerd – vandaar de naam Dutch wax – en vervolgens in de negentiende eeuw gekopieerd door de Britten, die de patronen op hun beurt weer naar West-Afrikaanse markten verscheepten. Zo authentiek Afrikaans is dat stofje helemaal niet, wil Shonibare maar zeggen.

Doordat Shonibare dat verhaal bij iedere tentoonstelling herkauwt, gaat het op den duur vervelen. Toegegeven, The Swing (2001), een driedimensionale versie van Fragonards schilderij, is een wolk van een beeld. Vooral het muiltje dat door de schommelende dame de lucht in wordt geschopt, en daar aan een onzichtbaar touwtje blijft hangen, is een geweldige vondst. Maar in zijn nieuwste werk, een half uur durende film met de titel Un Ballo in Maschera (2004), gaat Shonibare op herhaling. Het verhaal, losjes gebaseerd op de moord op de Zweedse koning Gustav III tijdens een gemaskerd bal in 1792, wordt van begin tot eind gespeeld door parmantige dansers. Uiteraard zijn alle acteurs gehuld in kostuums van gebatikte stoffen. En natuurlijk voeren zij een choreografie uit die een mix is van westerse en Afrikaanse dansen. Dat de politiek-correcte inhoud flinterdun is, kan al die uiterlijke pracht niet maskeren.

Ook Langlands & Bell reconstrueren een historische gebeurtenis, maar doen dat juist met zo min mogelijk fantasie. Tijdens hun verblijf in Afghanistan maakten ze de niet ongevaarlijke trip naar een afgelegen huis dat in mei 1996 kortstondig door Osama bin Laden bewoond is geweest. Terug in Londen creëerden ze op basis van hun foto's een gedetailleerde en waarheidsgetrouwe video-animatie van het huis en de kale omgeving. Met je hand aan de joystick kun je ronddwalen door de virtuele ruimtes, zien op welk eenvoudig bed Osama sliep en wat zijn uitzicht was vanuit het slaapkamerraam. Maar zonder beschikbare wapens en vijanden om op te schieten, raak je op dit computerspelletje snel uitgekeken.

En zo moeten de geleerden straks een keuze maken tussen het huis van Osama bin Laden en de snackbar van Bush, tussen de dood van de Zweedse koning of de reïncarnatie van zes Turken. In de zaal met het `Judge-for-yourself-prikbord' maken twee museummedewerkers voorzichtig de balans van de publieke opinie op – en halen intussen stiekem de schrijnendste scheldkannonades van de muur. ,,Yinka en Jeremy houden elkaar in evenwicht'', is hun conclusie. De echte jury doet op 6 december uitspraak.

Turner Prize 2004. T/m 23 dec in Tate Britain, Millbank, Londen. Dagelijks 10-17u50. Inl: www.tate.org.uk/britain