De Haagse kaasstolp in de late jaren veertig

`Een molensteen' noemde Willem Drees (1886-1988) het dossier Indonesië. En: `vier jaar nachtmerrie'. Tot op hoge leeftijd ging de staatsman gebukt onder zijn herinneringen aan de moeizame dekolonisatie van Nederlands-Indië, waar hij eerst als minister en later als premier nauw bij betrokken was. De kwestie hield de Nederlandse politiek gedurende ruim vier jaar zo in haar greep dat Hans Daalder in zijn vierdelige biografie een apart deel aan Drees' bemoeienissen met de kwestie Indonesië wijdde. Het eerste deel, over de periode 1940-1948, verscheen vorig jaar.

Drees' scrupuleuze houding jegens de dekolonisatieoorlog doet denken aan de ethische benadering van zijn partijgenoot Wim Kok van het debacle van Dutchbat in Srebrenica in 1995. In tegenstelling tot Kok, heeft Drees nooit reden gezien om af te treden, ook niet toen de volle omvang van de geweldplegingen van Nederlandse militairen in Indonesië bekend werd en er zelfs een parlementair onderzoek naar werd gedaan – dat nooit aan het parlement werd voorgelegd. Zo zwaar was die molensteen kennelijk ook weer niet.

Daalder volgt de politieke verwikkelingen in Den Haag op de voet. Hij doet dat zo nauwgezet en genuanceerd dat het Haagse klimaat van de late jaren veertig als nergens anders tot leven komt. Een nadeel is dat het boek nauwelijks van onder de Haagse kaasstolp uitkomt. Is dat tekenend voor Drees' houding in de kwestie, of is de hand van de biograaf bepalend geweest? Beide. Drees was in de eerste kabinetten als minister van Sociale Zaken sterk op Nederland gericht. Van Indonesië wist hij nauwelijks iets, al onderschreef hij Wilhelmina's belofte van december 1942 dat Indonesië het recht op zelfbeschikking had.

Het lijkt Daalders voornaamste doel te zijn geweest om Drees tegen de verwijten van halfslachtigheid, legalisme en onprincipieel optreden te verdedigen. Hij slaagt daar ten dele in. Dat zo'n verwijt regelmatig opdoemt, is niet verwonderlijk. In weinig kringen heeft het beleid van de opeenvolgende kabinetten tussen 1945 en 1949 zoveel discussie gegeven als in de Partij van de Arbeid, die in al deze jaren regeringspartij was. Vooral de uitgebreide militaire offensieven in juli 1947 en december 1948 gaven verhitte debatten. De druk van de katholieke regeringspartner dwong de PvdA tot compromissen die de sociaal-democraten tot over de rand van wanhoop en verontwaardiging brachten. Drees moest zich in een spagaat werken om het kabinetsbeleid door de partij aanvaard te krijgen.

Daalders `Haagse' benadering heeft nadelen, al was het maar omdat het onderwerp vanuit dat standpunt al vaker is belicht. De ideologische dilemma's van de socialisten, die een lange traditie van anti-imperialisme en pacifisme hadden, blijven buiten beeld. Of Drees zich aan die traditie gebonden achtte, komen we niet te weten. Ook de Indonesische kant blijft schematisch. Hoofdfiguren als Soekarno en Hatta blijven passanten. Ze waren dat ook voor Drees, die afhankelijk was van de berichtgeving uit Batavia. Het besluit tot de eerste politionele actie, bijvoorbeeld, werd door Den Haag en Batavia geheel aan het `Djocjase broeinest' en vooral aan Soekarno toegeschreven. In werkelijkheid waren de concessies die premier en onderhandelaar Soetan Sjahrir nog aan de Nederlanders had gedaan om een gewapend ingrijpen te vermijden, door een meerderheid van de Republikeinse partijen afgewezen.

Drees had een blinde vlek voor Soekarno, maar hierin had hij gezelschap van de meeste Nederlanders. Soekarno stond voor alles wat wispelturig en opportunistisch was in Indonesië. Dat hij in de oorlog met het Japanse bestuur had samengewerkt, was voor Drees en veel anderen slecht te pruimen. Erger: hij had Duitsland een `dappere natie' genoemd! Drees kon zich moeilijk inleven in de geestesgesteldheid van de Indonesische nationalisten. Dat aan hun kant de Nederlandse toezeggingen voor de conferentie op de Hoge Veluwe in april 1946 en later het principeakkoord van Linggarjati werden gebroken, maakte de Nederlanders in Republikeinse ogen tot onbetrouwbare valssprekers. Drees verzette zich tegen deze wijzigingen, maar oordeelde vervolgens hard over de Republikeinse tactiek van rekken en traineren.

Drees had tot 1948 trouwens geen rechtstreekse verantwoordelijkheid voor het Indonesische beleid. Als minister van Sociale Zaken en vice-premier probeerde hij vooral vorm te geven aan het naoorlogse stelsel van sociale zekerheid. Toch was hij, zeker na de verkiezingen van mei 1946 onbetwist leider van het sociaal-democratische smaldeel in het kabinet. Herhaaldelijk zette hij zijn gewicht in om het kabinetsbeleid tegenover zijn morrende partijgenoten te verdedigen. Zijn houding, zo laat Daalder zien, was van grote invloed op het Indonesië-beleid. Binnen het kabinet heeft hij steeds een matigende invloed uitgeoefend. Toen de eerste politionele actie was begonnen, heeft hij voorkomen dat de troepen zouden doorstoten naar het regeringscentrum van de Indonesische Republiek in Yogyakarta. Dat was dwars tegen de wens van niet alleen de confessionele partijen, maar ook de meesten in Batavia en zelfs de geharnaste Wilhelmina in.

Anderhalf jaar later, Drees was inmiddels premier, herhaalden de problemen zich in ernstiger vorm. De bestandsgrenzen op Java werden voortdurend geschonden en de guerrilla-acties van Republikeinse troepen maakten ingrijpen noodzakelijk. Als regeringsleider in een beduidend conservatiever kabinet met katholieken op de belangrijkste koloniale posten had hij nu minder ruimte om dwars te liggen. `Wij moeten voor alles rust, orde en veiligheid handhaven', sprak Drees in een gepaste koloniale retoriek, toen de onderhandelingen met de Republiek telkens vastliepen. Protesten uit de partij mochten niet baten. Dit keer werd Yogyakarta wel bezet en de Republikeinse leiders vastgezet. Direct erna zette Drees zijn volle gewicht achter pogingen om de Republiek als onderhandelingspartner te behouden, wat leidde tot ontslag van Beel als hoge commissaris (zoals de post van gouverneur-generaal in Batavia was gaan heten) en Sassen als minister van Overzeese Gebiedsdelen. Onder internationale druk werden onderhandelingen hervat en het Nederlandse vertrek uit Indonesië was binnen een jaar een feit.

Op enkele momenten overwoog Drees om uit het kabinet te stappen: bij de eerste politionele actie en bij katholieke pogingen de sleutelposten voor Indonesië te annexeren. Maar denken of zelfs dreigen is nog niet doen. Uiteindelijk koos Drees voor aanblijven. Dat ging met een zwaar hart, maar toch. Als waardig burgemeester in oorlogstijd besefte hij dat opstappen geen doel diende. Het zou het land onbestuurbaar maken of een rechtser kabinet aan de macht brengen. Waar een gesloten front in eigen partij ontbrak, koos Drees voor de weg van interne oppositie, en met succes, al laadde hij het odium op zich een oorlogszuchtig kabinet te leiden. De KVP, met de geslepen Beel en de hardliner Romme als fractieleider, was een lastige coalitiepartner. De houding van Drees was tekenend voor de Nederlandse politiek, waar compromissen noodzakelijk bleken om coalities te kunnen vormen.

Hoe verklaarbaar Drees' handelen ook is geweest, de Indonesië-kwestie bleef aan hem knagen. Drees, in al zijn protestantse rechtschapenheid, besefte dat Indonesië een smet op zijn blazoen wierp, al heeft hij zijn beleid in later jaren altijd verdedigd. Willem Drees is een van de favorieten in het onzinnige nationale gezelschapsspel ter verkiezing van de `Grootste Nederlander'. Zijn kandidatuur heeft Drees dan ook aan zijn sociale beleid te danken, niet aan zijn démarches in de Indonesië-kwestie.

Hans Daalder: Willem Drees 1886-1988. Vier jaar nachtmerrie. De Indonesische kwestie 1945-1949. Balans, 551 blz. €35,–