Chris Thile

Chopin, Beethoven, de Beatles. Alle zes op één plaat verenigd zal een zeldzaamheid zijn, maar bij Chris Thile komt hun muziek al in het eerste nummer voorbij, met ook nog een stukje fado. Niet als stuurloos allegaartje, maar als bestanddelen van een ondanks deze overvloed aan ingrediënten vederlicht indiepop-arrangement. Als een jongere versie van Beck, maar dan met het voordeel dat Thile, die al zijn eerste plaat uitbracht toen hij 12 was, virtuoos is op het in rockmuziek ondergeschikte instrument mandoline. Dat hij daarmee nieuwe gebieden verkent bewijst hij al enkele jaren in Nickel Creek, het trio dat pop en bluegrass met elkaar verzoent.

Op deze plaat doet hij vaak alsof het ding een gitaar is: hang er een versterker aan en je kunt er net zo goed powerchords uitraggen als uit elke andere gitaar. Dat is alvast een verademing. Gelukkig zijn hier de liedjes belangrijker dan Thile's technische vernuft. Die liedjes verraden behalve klassieke invloeden ook die van de Britse new wave, en deinzen niet terug voor exotische toonladders terwijl ze vaak bewegen op andere ritmes dan van de vierkwartsmaat. In `Locking Doors' met z'n Rhodes-piano en een soundscape van strijkers, komen flarden Prince en Zappa langs. `Waltz for Dewayne Pomeroy' klinkt bijna middeleeuws, met die ingetogen, als een luit klinkende mandoline. Kameleontisch zonder vermoeiend te worden, genre-verleggend zonder pretentieus te klinken – die Thile is misschien echt een wonderkind.

Chris Thile: Deceiver. Sugar Hill SUG-CD-3976