`Brief publiceren niet tegen de wet'

De brief die Mohammed B. op het lichaam van Theo van Gogh achterliet, is door minister Donner vrijgegeven. Hij negeert daarmee het advies van het openbaar ministerie.

Met het vrijgeven van de brief die de verdachte Mohammed B. op het lichaam van Theo van Gogh achterliet, is minister Donner niet in de fout gegaan, stelt hoogleraar strafrecht Theo de Roos van de universiteit Leiden. Volgens De Roos is het niet tegen de wet om informatie over een lopende rechtszaak naar buiten te brengen. Maar in de praktijk is het openbaar ministerie (OM) wel heel terughoudend in zijn informatieverstrekking bij rechtszaken. Die terughoudendheid is ook in beleidsregels vastgelegd. Want al te grote openheid kan een succesvolle vervolging in gevaar brengen.

Als het vrijgeven van informatie schadelijk is voor de privacy van de verdachte, is dat een reden om geen informatie bekend te maken. Maar van schending van die privacy is hier geen sprake, meent De Roos. ,,De verdachte wilde die brief duidelijk ook zelf openbaar maken.'' Een rechter zou ook kunnen overwegen dat een verdachte door het openbaar maken van bepaalde informatie geen kans meer heeft op een eerlijk proces. Maar volgens De Roos is ook daar hier geen sprake van.

De advocaat van de verdachte, Peter Plasman, noemt de bekendmaking van de brief ,,verontrustend''. Volgens Plasman is het openbaar ministerie door de ministers ,,overruled'' om de brief te publiceren. Dat blijkt ook uit een reactie van hoofofficier L. de Wit van het OM in Amsterdam. Deze zei vandaag dat hij het niet eens is met de beslissing van Donner om de brieven openbaar te maken. ,,Deze documenten behoren tot het voorgeleidingsdossier en dienen eerst aan de rechter te worden voorgelegd en de advocaten alvorens ze in de openbaarheid komen.''

In een brief aan de Tweede Kamer legden Donner en Remkes gisteren uit waarom zij ,,bij hoge uitzondering'' toch tot openbaarmaking zijn overgegaan: ,,De reden hiervoor is gelegen in de maatschappelijke implicaties van de moord en de inhoud van de documenten, die bijzonder verontrustend zijn en die wij zeer ernstig nemen. Wij willen speculaties, misverstanden en foute berichtgeving op basis van gissing naar de inhoud voorkomen.''

Plasman, die de brieven zelf nog niet heeft gehad, verwerpt die redenering. ,,Als Donner zegt dat het ongebruikelijk is, bedoelt hij eigenlijk dat hij strijd met de procedures handelt''. Volgens de advocaat is het juist in belangrijke zaken als deze essentieel om gebruikelijke procedures te volgens. ,,We praten allemaal graag over de rechtsstaat, maar het is natuurlijk wel erg makkelijk om je alleen aan de procedures te houden als er geen belangen op het spel staan.''

Strafpleiter Jan Sjöcrona noemt de actie van Donner ook ,,tamelijk ongebruikelijk''. Het vrijgeven van de brief verbaast hem, omdat hij niet inziet hoe dat in het belang van het onderzoek kan zijn. Sjöcrona vermoedt dat minister Donner een ,,publicitaire slag'' wil slaan.