Blijf van dat dak af, waarschuw niet meer

Veel naoorlogse architectuur wordt gesloopt.

Om economische redenen, maar ook omdat de fantasie ontbreekt om er een nieuwe bestemming aan te geven. De voormalige rijksbouwmeester en andere kenners roepen op tot behoud. Is dat terecht?

Wanneer komt een bouwwerk in aanmerking voor plaatsing op de lijst van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg? In principe als het gebouw een onbetwiste cultuurhistorische waarde heeft en ouder is dan vijftig jaar. De leeftijd van vijftig is vastgelegd in de Monumentenwet en betekent dat vrijwel de gehele bouwproductie van na de Tweede Wereldoorlog te jong is voor wettelijke bescherming. Vanuit architectuurhistorisch perspectief is dit een angstaanjagende gedachte. De vooroorlogse gebouwenvoorraad bestrijkt weliswaar tien eeuwen, maar beslaat nog geen vijfde van het totale bouwareaal. Cees Nooteboom voorspelde het wonder al in zijn boek Allerzielen: `Wij kunnen ons nooit zoveel toekomst voorstellen als wij verleden hebben.'

Bij de herziening van de Monumentenwet in 1988 is de verantwoordelijkheid voor het culturele erfgoed gedecentraliseerd en vooral bij de gemeenten gelegd. Het stadsbestuur bepaalt of een bouwwerk behouden blijft of dat het wordt gesloopt en door nieuwbouw vervangen. De laatste combinatie is doorgaans economisch profijtelijker, reden voor gemeenten, met projectontwikkelaars in de rug, om bij voorkeur van deze oplossing gecharmeerd te zijn. Daardoor lopen ook architectonisch hoogwaardige gebouwen die jonger zijn dan vijftig jaar een groeiend risico om te worden afgebroken of met een respectloze verbouwing onherstelbaar verminkt te raken.

Aan het eind van zijn ambtsperiode heeft rijksbouwmeester Jo Coenen – hij is per 1 oktober opgevolgd door architect Mels Crouwel – met twee samenhangende initiatieven uiting gegeven aan zijn verontrusting over het vogelvrije lot van de naoorlogse bouwkunst. Een nieuwe onderscheiding moet de architectonisch bijzondere werken van de jongste generatie, voor het bereiken van hun vijftigste verjaardag, alvast culturele bescherming bieden. Deze gebouwen worden met een plaquette bestempeld tot `Inspirerende Bouwkunst'. Om te laten zien wat onder inspirerende architectuur uit de periode 1950 tot 2000 wordt verstaan, heeft Coenen uit de zeshonderd naoorlogse gebouwen die de rijksgebouwendienst beheert, er zestien voor dit predikaat uitverkoren.

Bij de selectie assisteerden de Haarlemse architect en oud-hoogleraar aan de TU Delft Wiek Röling en Marieke Kuipers, onderzoeker bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en bijzonder hoogleraar Cultureel Erfgoed aan de Universiteit Maastricht. Röling en Kuipers zijn ook de belangrijkste auteurs van het boek Gesloopt, gered, bedreigd dat in het hart, in woord en beeld, de eerste collectie `inspirerende bouwkunst' presenteert.

Cultuurverlies

Naast de zestien gebouwen biedt Gesloopt, gered, bedreigd een caleidoscopisch panorama van bespiegelingen, analyses en interviews met als thema de omgang met de naoorlogse architectuur in Nederland. De hamvraag die in het boek vele antwoorden kent, luidt: waardoor worden de architectonisch waardevolle werken van naoorlogse bouwkunst bedreigd?

Het eerste antwoord is natuurlijk: door platte economische wetten waartegen cultuurverlies niet is opgewassen. Vervolgens is er het bedreigende onvermogen om gebouwen die hun oorspronkelijke functie hebben verloren op een intelligente en creatieve wijze een nieuwe bestemming te geven. In de door vier ministeries onderschreven nota Belvédère (1999) wordt deze vorm van zorg voor het gebouwde erfgoed `behoud door ontwikkeling' genoemd. Maar in de praktijk blijkt het niet eenvoudig om deze strategie ten uitvoer te brengen. Het lijkt wel of in Nederland alle krachten samenspannen om hergebruik van bestaande gebouwen tegen te werken. Om te beginnen maken de wurgende regels op vrijwel elk gebied, de brandveiligheid, het milieu, de arbeidsomstandigheden, de volkshuisvesting, het functioneel behouden van bestaande bouwwerken tot een bijna onmogelijke opgave. Voor calculerende gemeenten is de zware regellast een dankbaar motief om onbeschermde `meesterwerken' die hun eerste bestemming achter de rug hebben, met de grond gelijk te maken. Zij worden vervangen door praktische, multifunctionele nieuwbouw die binnen dertig jaar is afgeschreven en dan probleemloos vervangen kan worden. Dat past goed in de cultuur van nieuwe, spraakmakende architectuur waarmee ambitieuze wethouders gretig hun stempel van voortvarendheid kunnen afgeven.

Gebrek aan fantasie is ook gevaarlijk voor het voortbestaan van jonge bouwkunst. Renovatie-architect André van Stigt tegen interviewer Jaap Huisman: ,,Het kost meer moeite je een plaatje voor te stellen van hergebruik van een bestaand gebouw dan de artist's impression van een nieuw complex.''

Gaat het over bedreiging van de naoorlogse bouwkunst dan blijft de architect ook niet buiten schot. Desinteresse in het verleden en onvoldoende ambachtelijke kennis en vaardigheid kweken een onverschillige mentaliteit tegenover het cultureel erfgoed. Op zoek naar oorzaken voor die onverschilligheid, kraken Röling en Coenen in hun tekstbijdragen kritische noten over het architectuuronderwijs. Röling beschrijft hoe bij de werving van nieuwe medewerkers op grotere architectenbureaus dikwijls de voorkeur aan buitenlanders of in het buitenland opgeleiden wordt gegeven. `De Nederlandse ingenieurs waren niet handig en konden de computer niet snel en gemakkelijk genoeg gebruiken. Handmatig een ontwerp opzetten lukte niet, laat staan een ontwerp technisch detailleren en uitwerken.'

En Coenen stelt vast: `Hoewel de geschiedenis van de architectuur en stedenbouw in het curriculum van de studierichting architectuur is opgenomen, is in ons land in tegenstelling tot vrijwel alle andere Europese landen sinds de jaren zestig de interesse daarvoor bij de student afgenomen. Ik constateer in toenemende mate een moeizame verhouding tot de geschiedenis en zie dit als een van de belangrijkste redenen voor het groeiend onbegrip voor de historische architectuur, die prematuur als traditioneel en oudbakken wordt afgedaan.'

Curiosum

Naast historisch besef is ook de kunst van het vervlechten essentieel bij het combineren van oudere architectuur met nieuwe bouwsels. Enkele uitzonderingen daargelaten, bijvoorbeeld Hubert-Jan Henket, hebben Nederlandse architecten geen talent voor versmelting. Coenen: `Hier moet men laten zien waar het oude ophoudt en het nieuwe begint: een helder en consistent kunstje. ,,Niet helder'' wordt angstvallig gemeden en wordt afgedaan als onzuiver of schizofreen.' Daarom zijn het vooral buitenlandse architecten die in Nederland op een meesterlijke manier oud en nieuw aaneenweven, zie de plannen van het Spaanse duo Cruz en Ortiz voor het Rijksmuseum in Amsterdam en van de Zwitser Peter Zumthor voor de Meelfabriek in Leiden. In het hoofdstuk `Visies van buiten' geven Antonio Ortiz, Peter Zumthor, de Spaanse Rafael Moneo, Lucien Kroll uit België en de Oostenrijker Heinz Tesar hun opvattingen over het revitaliseren van oude architectuur met nieuwbouw als instrument. Het is het meest inspirerende hoofdstuk van het boek.

Inspirerend is helaas niet het woord voor de galerij van `Inspirerende Bouwkunst'. Van de zestien rijksgebouwen die zijn opgetrokken in het `niemandsland tussen architectuurkritiek en monumentenzorg' (Marieke Kuipers) zijn er slechts drie die werkelijk tot inspireren in staat zijn. De uitbreiding van het Rijksmuseum Kröller-Müller door Wim Quist (1977), het gebouw van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort (Abel Cahen, 1988) en de Penitentiaire inrichting De Schie (Carel Weeber, 1989). De rest? Ach, de rest, die is veelal zwaar en norsig, zonder een sprankeltje muziek. Het sombere ministerie van Buitenlandse Zaken, bijgenaamd de Apenrots (Apon, Van den Berg, Ter Braak, 1984) kan je onmogelijk inspirerend noemen. Voor de architectuur van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (Arie Hagoort, 1979) en het daarnaastgelegen Nationaal Archief (Sjoerd Schamhart, 1979) zijn eerder de termen chaotisch en verwarrend van toepassing. De overige tien gebouwen krijgen het evenmin voor elkaar om de beschouwer als aanstekelijke architectuur in het hart te treffen. Zij zijn wel typerend voor een tijdsgewricht, zoals het kantongerecht in Tilburg (Jos Bedaux, 1970), dat als bunkerachtig curiosum de geschiedenis kan ingaan. Maar inspirerend? – nee.

Daargelaten de drie bovengenoemde voorbeelden die zonder meer op de wachtlijst van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg kunnen worden geplaatst, maken de overige dertien gebouwen als monument in spe een mismoedige indruk. Maar wie weet, wordt daarover over vijftig jaar, bij leven en welzijn van deze werken van naoorlogse bouwkunst, weer anders over gedacht.

Aimée de Back, Jo Coenen, Marieke Kuipers, Wiek Röling (red.): Gesloopt, gered, bedreigd. Omgaan met naoorlogse bouwkunst. Episode Publishers, 192 blz. €29,50