Beeldroman uit het geheugen

De vroegere directeur van het Groninger museum Frans Haks is van mening dat Walt Disney tot de grootste kunstenaars van de twintigste eeuw behoort. Een jaar of wat geleden heb ik naar hem geluisterd terwijl hij dit met verve verdedigde. Hij verwees naar de wereldbekendheid van helden als Mickey Mouse en Donald Duck, dat ze tegen de tachtig liepen maar hun eeuwige jeugd tot dusver hadden bewaard, telkens weer nieuwe avonturen beleefden waardoor de jongens en meisjes geboeid werden. Nog meer verdiensten. En we moeten toegeven: een zo groot en duurzaam succes is niet voor iedere kunstenaar weggelegd. Goed. Disney is een van de grootsten. Het is een mening die wel kan worden tegengesproken, maar doe dat niet. Voor je het weet ben je verwikkeld in een lijstjesdiscussie.

Kan een beeldverhaal, het genre waarin tekst en beeld niet zonder elkaar kunnen, literatuur en beeldende kunst tegelijk zijn? Dat is een andere vraag. Dick Bos van Alfred Mazure lijkt mij onvergetelijk jeugdsentiment. Max und Moritz van Wilhelm Busch zijn klassieke stoute jongens uit een afgesloten tijdvak. Martin Toonder heeft zijn Heer Bommel avonturen laten beleven die tot de literatuur horen. Denk aan Zwelg de Zwelbast, de draak met wie Heer Bommel vriendschap sluit. Bruintje Beer heeft hier en daar een sfeer van peilloos onheil, zoals Rudy Kousbroek eens heeft geschreven. Krazy Kat van George Herriman is Amerikaans absurd en prachtig getekend. Allemaal kunst; valt niet aan te twijfelen.

Maar we kunnen nog een stap verder. In 1986 en 1991 kwam Art Spiegelman met zijn twee delen van Maus, de geschiedenis van zijn vader, hoe die Auschwitz overleefde. Maus is binnen de grenzen van het beeldverhaal een ander genre: dat van de volstrekte ernst. Hij heeft er de Pulitzer prijs voor gekregen. Daarna heeft hij dit genre verlaten, essays geschreven (die ik niet ken) en omslagen voor The New Yorker gemaakt. Dit jaar is opnieuw een boek van hem verschenen waarin hij min of meer te werk gaat volgens de methode die hij in Maus heeft gebruikt. Het heet In the Shadow of No Towers; het gaat over zijn ervaringen op elf september 2001 en daarna.

Spiegelman woont in Lower Manhattan, in de buurt van waar nu het grote gat is, Ground Zero. Dit verhaal is de geschiedenis van een definitieve verminking, in een summier feitelijk verslag. Verder de beschrijving van de werking van zijn geheugen dat bij de geringste aanleiding, hem fragmenten opnieuw kan doen beleven. Dan hoe zijn omgeving, zijn buurt zich herstelt en overgaat tot het `nieuwe normale'. Hoe de politiek, president Bush en vice-president Cheney de ramp schaamteloos annexeren. Hoe een anonieme dakloze zich als een fanatieke antisemiet ontpopt. En door alles heen het verlangen naar de tijd toen de twee torens daar stonden, als bouwwerken die eeuwig waren en die hoorden tot het meubilair van zijn buurt.

Leven met, of in de schaduw van wat voorgoed is verdwenen. Het gevoel als je na lange tijd langs het huis komt waar je je jeugd hebt doorgebracht. Lopen door een stad die na de verwoesting onherkenbaar weer is opgebouwd. Ergens in Lower Manhattan de Zesde Avenue oversteken en naar de torens kijken die daar nooit meer zullen staan. Spiegelman geeft in zijn boek niemand de schuld. De leegte is een gegeven, de wording daarvan zijn persoonlijke geschiedenis. Dat verhaal wordt een aantal malen verteld, in woord en beeld, telkens opnieuw, met andere aanleidingen, in nieuwe woorden en beelden.

Hoeveel keer zien we op de televisie onroerend goed verwoesten? In Irak, Palestina, een ander oorlogsgebied? Daar gaat weer een geheel dat tot het interne decor van iemands hersenen, geschiedenis, leven hoort. Spiegelman laat het zien, op zijn manier: de verwoesting van het onherhaalbare dat door de eigenaar als vanzelfsprekend, als eeuwig was beschouwd.

Dit is een eigenaardig boek. Groot, 45 bij 39 centimeter, met 38 dikke kartonnen pagina's, in kleur, vol tekeningen en teksten, waarin het ongrijpbare wordt bewaard dat tot de inhoud van een uniek, persoonlijk geheugen hoort. Spiegelman heeft het overdraagbaar gemaakt. Voor wie er ontvankelijk voor is: een meestwerk.