Zelfs huismus nu op Rode Lijst

Het aantal bedreigde broedvogelsoorten in Nederland stijgt. Dramatisch is de achteruitgang van vogels op het boerenland. En voor de mus is Nederland te netjes geworden.

,,Kijk'', zegt Hans Peeters van Vogelbescherming Nederland, wijzend op een landschap met knotwilgen, hagen en extensief beheerd, kruidenrijk land van landgoederen. ,,Dit boerenland zit vol zaad en muizen. Uitstekend voor vogels als patrijs, geelgors, grauwe vliegenvanger, kerkuil en steenuil.''

Het landschap langs delen van de Kromme Rijn bij het Utrechtse Langbroek is uitzonderlijk geworden in Nederland. De meeste gronden op het platteland zijn verdroogd, staan vol met vogelonvriendelijke gewassen zoals maïs en raaigras dat vaak wordt gemaaid. ,,Desastreus voor de akker- en weidevogels'', zegt Peeters, bewoner van dit gebied. Hij wijst naar de andere kant van de weg waar keurig gemaaide weilanden liggen. ,,Een jaar of vijftien geleden wemelde het hier nog van de grutto's, tureluurs en kieviten. Nu ben je al blij als je tijdens een fietstocht één kievit tegenkomt.''

De meest opvallende trend in de dezer dagen te publiceren Rode Lijst voor bedreigde vogels is de sterke achteruitgang van akker- en weidevogels. Het gaat slecht met boerenzwaluw en grutto, zomertortel en veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart, spotvogel en grauwe vliegenvanger. Oorzaak is de ,,verregaande intensivering van de landbouw'', zo stellen de samenstellers van de Rode Lijst. Voor de meeste soorten zijn overbemesting en kunstmest een knelpunt, alsmede vaker en vroeger maaien, verlaging van het waterpeil, bestrijdingsmiddelen en voor vogels minder aantrekkelijke gewassen zoals maïs en wintergraan. ,,Er zijn geen vogels die van het landbouwbeleid profiteren'', zegt Peeters.

De Rode Lijst is het fundament onder beschermingsprogramma's voor vogels en voor gebieden als geheel. De eerste Rode Lijst verscheen in 1985 en bevatte 48 soorten. De tweede Rode Lijst dateert van 1994 en telde 57 soorten. ,,Maar als we de tellingen corrigeren naar de huidige methoden hadden op die lijst 67 soorten moeten staan'', zegt Johan Thissen van Vogelbescherming Nederland, onder wiens leiding de lijst is samengesteld. Voor de huidige Rode Lijst zijn 182 vogelsoorten onderzocht. Het gaat om vogels die vanaf 1900 tien achtereenvolgende jaren in Nederland hebben gebroed. Er zijn uiteindelijk 78 soorten geselecteerd. Van deze 78 broedvogelsoorten zijn er 8 verdwenen uit Nederland, 12 soorten zijn `ernstig bedreigd', nog eens 12 soorten vallen in de categorie `bedreigd', 20 soorten zijn `kwetsbaar' en 26 soorten zijn `gevoelig'. Verdwenen uit Nederland zijn kwak, kleinst waterhoen, griel, goudplevier, bonte strandloper, lachstern, hop en roodkopklauwier. Op het punt van uitsterven staan duinpieper (één broedpaar), ortolaan (één tot drie) en klapekster (één tot vier).

Het meest ,,dramatisch'' van de nieuwe Rode Lijst is de sterke achteruitgang van vogels op het boerenland, zoals de grutto. Juist voor deze soort draagt Nederland een speciale verantwoordelijkheid omdat een groot deel van de mondiale populatie hier voorkomt. Met andere woorden: als het in Nederland slecht gaat met deze soort, dan gaat het met de totale populatie slecht. De voortdurende achteruitgang van grutto, tureluur en patrijs (deze laatste soort daalde met 95 procent) is ,,zorgelijk'', aldus de samenstellers, maar ook die van grote stern, kerkuil en steenuil, groene specht, kuifleeuwerik (met 95 procent gedaald) en veldleeuwerik (met ruim 90 procent gedaald). Het aantal vogels van het boerenland is in heel Europa overigens gedaald, met ruim 40 procent in afgelopen twintig jaar. Veel beter gaat het met bosvogels en generalisten, vogels die zich overal thuis voelen.

Voor de gemiddelde Nederlander is wellicht het schokkendst dat de huismus nu op de lijst staat, symbool voor vanzelfsprekende natuur om de eigen woning. De huismus figureert in de categorie `gevoelig'. ,,Alleen al in de periode 1990-2002 nam de populatie met ongeveer 40 procent af'', melden de samenstellers, ,,een afname van tenminste 50 procent sinds 1960 is meer dan aannemelijk''. De aantallen zijn moeilijk te schatten, de onderzoekers gaan uit van één tot twee miljoen broedparen in 1960 tot een half miljoen tot één miljoen nu. De populatie huismussen heeft decennia lang kunnen groeien door de verstedelijking met woningen waarin vooral onder dakpannen kon worden gebroed. Maar sinds de jaren zeventig is er door gewijzigde bouwmethoden weinig ruimte onder dakpannen. Bovendien is er weinig te eten in de steden door de afname van braakliggende en ruige terreinen en de afnemende gewoonte om tafelkleden uit te kloppen in de tuin. Vogelbescherming spreekt van een ,,te grote netheid''. Aan het einde van de zomer zwermen de huismussen veelal uit over het platteland. Daar is nog maar weinig voedsel te vinden, doordat boeren veelal zijn overgeschakeld van graan naar maïs, en de oogstmethoden zó efficiënt zijn geworden dat er weinig `spilzaad' overblijft. Ook het aantal ringmussen is met meer dan 50 procent afgenomen naar 50.000 tot 150.000 broedparen. Nestelen is voor de ringmus moeilijker geworden op het platteland door het verdwijnen van houtwallen en hoogstamboomgaarden, er is ook een tekort aan voedsel door het gebruik van insecticide en de toegenomen teelt van maïs ten koste van het favoriete graan. Ook de ringmus is `gevoelig'.

Dat een vogelsoort op de lijst staat, wil niet altijd zeggen dat er iets verschrikkelijks aan de hand is. Van de 78 huidige soorten zijn er 8 nieuwkomer, soorten die niet eerder in Nederland hebben gebroed. Dat zijn roodhalsfuut, brilduiker, kleine en grote zilverreiger, slechtvalk, oeverloper, grote mantelmeeuw en kortsnavelboomkruiper. Oorzaak van de komst van deze soorten is het succes van het natuurbeleid. ,,Dat mag ook wel eens gezegd worden'', aldus Thissen, die zelf jarenlang op het ministerie van LNV werkte. Er is meer `natte natuur' gekomen. ,,Zonder de Oostvaardersplassen was de grote zilverreiger hier niet gekomen.'' Ook soortbeschermingsplannen in buurlanden als Duitsland werpen hun vruchten af. ,,Bijvoorbeeld de slechtvalk'', zegt Hans Peeters. En de klimaatverandering natuurlijk. ,,Denk aan de kleine zilverreiger die oprukt vanuit Frankrijk.'' De belangrijkste criteria voor plaatsing op de Rode Lijst zijn de aantallen broedparen en de ontwikkeling van de populaties sinds 1960. Als er minder dan 125 broedparen zijn waargenomen, is de vogel sowieso het beschermen waard. Dat geldt ook voor vogels die sinds 1960 met meer dan 50 procent in aantal zijn gedaald.

Sommige vogelsoorten schitteren door afwezigheid op de lijst. Met de ooievaar gaat het zo goed, dat deze van de lijst is afgevoerd. Een herstelproject heeft ertoe bijgedragen dat zich in de jaren negentig een ,,spectaculaire toename'' aan wilde broedparen heeft voorgedaan, van 50 in 1960 naar 200 enkele jaren geleden. Wie de ooievaars in kweekcentra daarbij optelt, komt tot het dubbele. ,,Ze zitten nu zelfs op lantaarnpalen van de A27 bij knooppunt Everdingen'', zegt Hans Peeters. Ook de ijsvogel ontbreekt op de Rode Lijst. Die heeft een ,,vlot herstel doorgemaakt dankzij een lange reeks van zachte winters'', aldus de onderzoekers, van maximaal 50 in 1997 tot maximaal 700 anderhalf jaar geleden, daarbij geholpen door een verbeterde kwaliteit van de Nederlandse wateren.