Overheidsklant koning?

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was aan bijna alles een tekort. Zonder overheidsingrijpen dreigden de prijzen hoog op te lopen. Dat zou ook goederen die in eerste levensbehoeften voorzien voor een groot deel van de bevolking onbetaalbaar maken. Daarom gingen de meeste artikelen in Nederland `op de bon'. Gezinnen ontvingen van de overheid kaarten met bonnen die bij inlevering recht gaven op een beperkte hoeveelheid brood, melk en zo verder. Daarmee was de marktwerking niet uitgeschakeld. Zo ruilden niet-rokers hun tabaksbonnen tegen kledingbonnen, die verstokte rokers voor hun verslaving wilden opofferen. Bovendien tierde de zwarthandel: het bleef mogelijk buiten de officiële distributie om bijvoorbeeld vlees en sigaretten te kopen, tegen `woekerprijzen' die onverzadigde vraag en klandestien aanbod met elkaar in evenwicht brachten.

Na de oorlog konden – dank zij de voorspoedige wederopbouw van de vaderlandse economie – steeds meer goederen van de bon, al liet de overheid de prijzen vaak nog niet vrij. Daarmee waren niet alle schrijnende tekorten de wereld uit. Het zou nog enkele tientallen jaren duren, voordat de naoorlogse woningnood grotendeels was opgelost. De overheid rantsoeneerde beschikbaar komende goedkope woningen niet met hulp van bonnen, maar via wachtlijsten. In de jaren vijftig bestonden ook lange wachtlijsten voor een telefoonaansluiting, omdat het staatsbedrijf der Post, Telegraaf en Telefoon onvoldoende kon investeren in de op zichzelf winstgevende uitbreiding van het overbelaste net. De investeringsuitgaven drukten op echter de rijksbegroting en de minister van Financiën was er net als nu op uit het tekort binnen de perken te houden. Had men eenmaal een aansluiting, dan was aanschaf van het zwart bakelieten standaardmodel van de PTT verplicht.

Het voorbeeld van de telefoon illustreert de bezwaren van overheidsproductie van goederen en diensten. Afnemers hebben te maken met een monopolistische aanbieder, die weinig kostenbewust opereert in het besef dat hij toch niet failliet kan gaan. Klanten hebben amper keuzevrijheid en komen op wachtlijsten terecht als het overheidsbudget te krap bemeten is. In de marktsector reageren ondernemers veel sneller op vraagsignalen van consumenten. Zij proberen elkaar klanten af te snoepen door een rijk geschakeerd assortiment producten aan te bieden tegen scherpe prijzen. Omdat bedrijven, anders dan de overheid, failliet kunnen gaan is de ondernemingsleiding ook veel meer gespitst op kostenbeheersing en een zo doelmatig mogelijke organisatie van de productie.

Getuige de recente protesten tegen de invoering van meer marktwerking in de gezondheidszorg en bij de financiering van het hoger onderwijs is het kennelijk nodig deze economische waarheden als koeien nog eens uit de sloot te halen. De privatisering van de PTT heeft overduidelijk aangetoond dat het bedrijf vroeger zwom in overtollig personeel en veel doelmatiger kon werken. Nu zijn de wachtlijsten historie, telefoontoestellen te kust en te keur verkrijgbaar en de tarieven lager dan ooit.

Privatisering wordt alleen een succes als aan harde voorwaarden is voldaan. De belangrijkste daarvan is dat producenten bloot staan aan voldoende concurrentie. De dreiging klanten aan anderen kwijt te raken doet wonderen. Nieuwe aanbieders moeten dus betrekkelijk probleemloos tot de markt kunnen toetreden. Daarnaast dient de overheid actief in te grijpen wanneer bestaande aanbieders door fusies te veel marktmacht krijgen.

Hier zitten de echte gevaren bij de voorgenomen stapsgewijze invoering van gereguleerde marktwerking in de gezondheidszorg. Door het (huis)artsentekort ontbreekt vooralsnog voldoende concurrerend aanbod. Zowel zorgverzekeraars als zorginstellingen zijn de afgelopen jaren samengeklonterd. Zulke concentraties beperken de beoogde keuzevrijheid van verzekerden en patiënten. Die dienen verder goed geïnformeerd te zijn over polisvoorwaarden, premieverschillen en de prijs en kwaliteit van de zorg die de verschillende aanbieders leveren. Aan die essentiële informatievoorziening schort op dit moment nog veel.

Invoering van meer marktwerking bij hoofdzakelijk collectief gefinancierde instellingen brengt voor gebruikers van die voorzieningen extra kosten mee. Zo wil het kabinet dat studenten in de toekomst gaan shoppen bij diverse universiteiten in het land, die straks grotendeels worden gefinancierd op basis van het aantal voor aangeboden vakken ingeschreven studenten. Goed systeem: concurreren om de gunst van studenten, afrekenen op geleverde prestaties en boter bij de vis. Maar om van hun ruimere keuzevrijheid gebruik te kunnen maken zullen studenten zich breder moeten oriënteren en soms tijdelijk naar een andere stad moeten verhuizen.

Dit soort `transactiekosten' stijgt ook bij het nieuwe zorgstelsel. Verzekerden en patiënten dienen zich uitgebreid te informeren en veranderen van zorgverzekeraar kost de nodige moeite. Bovendien zijn marktprijzen en -premies voor iedere klant even hoog. Om bepaalde dure voorzieningen algemeen toegankelijk te houden, zal de overheid dus uitkeringen moeten doen aan mensen met een smallere beurs. Zo gaat de belastingdienst toeslagen uitkeren voor kinderopvang (vanaf 2005) en zorgkosten (vanaf 2006), die zijn te vergelijken met de bestaande huursubsidie. Miljoenen mensen krijgen hierdoor te maken met een papierwinkel die hun transactiekosten verder opdrijft. Het is een prijs die de meeste klanten van de overheid over zullen hebben voor een ruimere keuze uit betere dienstverlening.