Kanttekeningen bij de vrije meningsuiting

Vrijheid van meningsuiting is belangrijk, maar het is onverstandig om niet te willen denken aan de maatschappelijke gevolgen van de geuite mening, betoogt Hans van der Ven.

Wat mij al eerder is opgevallen, maar wat zich na de weerzinwekkende moord op Theo van Gogh nog sterker aan me opdringt, is de wijze waarop wordt omgegaan met het recht op de vrijheid van meningsuiting.

Het lijkt wel alsof er sprake is van een politiek-correct spreken waardoor elke kanttekening en nuancering die bij dit recht kunnen, en ook moeten worden gemaakt, tot taboe worden verklaard.

Het politiek-correcte is hierin gelegen dat dit recht tot een absoluut recht wordt verklaard, waarvoor elk andere overweging dient te wijken. Natuurlijk, het recht op de vrijheid van meningsuiting is een grondrecht, en het is niet zomaar een grondrecht, maar een van de fundamentele grondrechten: het is een hoeksteen van andere vrijheden die in de Grondwet zijn vastgelegd.

Maar dit betekent niet dat het niet aan grenzen gebonden is. Zo kan dit recht niet worden geclaimd wanneer wordt opgeroepen tot haat die gebaseerd is op ras, etniciteit, geslacht en religie, en wanneer deze haat fungeert als een aanzet tot geweld. Tot zover is er wat mij betreft geen sprake van enig misverstand: de quaestio iuris is duidelijk.

Maar nu de quaestio facti. Daarbij gaat het niet om de vraag wat het recht op de vrijheid van meningsuiting inhoudt noch wat de beperking ervan door haat en de aanzet tot geweld inhoudt. Het gaat om de vraag of de betreffende grenzen van haat en de aanzet tot geweld in concrete gevallen daadwerkelijk worden geëerbiedigd dan wel worden overtreden. De politiek-correcte reactie luidt dat die vraag irrelevant is, omdat iedereen altijd voor zijn mening moet kunnen uitkomen, welke die mening ook is, welke persoon of bevolkingsgroep er ook mee gekwetst wordt, of welke gevolgen die mening voor het geheel van de maatschappij ook heeft.

Met name dit laatste – ,,welke de maatschappelijke gevolgen ook mogen zijn'' – geeft blijk van een soort juridisch fundamentalisme: het is een absoluut en blind geloof in het recht op vrijheid van meningsuiting.

Maar er is naast deze juridische benadering met haar quaestio iuris et facti nog een andere benadering mogelijk én nodig. Deze gaat uit van het inzicht dat het belangrijk is om ook de directe en indirecte, onbedoelde gevolgen van de uiting van een mening in te schatten en mede daarop het gedrag af te stemmen.

Noem het een consequentialistische benadering van het recht op vrije meningsuiting. Met deze benadering wordt een eng-juridische interpretatie van het recht op vrije meningsuiting doorbroken en in een maatschappelijk kader geplaatst. Dit is ook nodig, omdat dit recht – het geldt trouwens voor alle recht – niet boven de maatschappij zweeft, maar van die maatschappij deel uitmaakt.

Dit brengt me bij de maatschappelijke betekenis ervan. Dit recht is voortgekomen uit de strijd tégen de onderdrukking van het geweten en vóór het opkomen voor de eigen politieke en maatschappelijke mening. Het is een strijdrecht, zoals zo vele andere rechten. De zin ervan is gelegen in het feit dat het de voorwaarde schept voor wat wel de `markt van ideeën' wordt genoemd. Op deze `markt van ideeën' heerst een concurrentie van opvattingen, en de waarheid is ermee gediend dat die opvattingen worden aanvaard die via een open en vrije discussie de meeste overtuigingskracht blijken te bezitten.

Er zijn wel enkele voorwaarden aan zo'n discussie verbonden, wil die niet in de kiem worden gesmoord. Enkele ervan zijn: dat je meent wat je zegt, dat je de ander in zijn waarde laat, dat je het recht van woord en wederwoord erkent, dat je bereid bent je opvatting bij te stellen wanneer daartoe aanleiding is. De vraag is dan of het doen van vulgaire uitspraken, van schelden, kwetsen en zich almaar blijven hullen in ironie niet tot een verdere ontwikkeling van polarisatie bijdragen, en daarmee, op termijn, tot ontwrichting van de samenleving.

Daar komt nog iets bij. Bij een maatschappelijke benadering van het recht op vrije meningsuiting, waarin de nadruk wordt gelegd op de `markt van ideeën', dient men er ook oog voor te hebben dat het – als ik het zo zeggen mag – om ongelijke marktpartijen gaat.

De politieke, intellectuele en journalistieke elite heeft een gemakkelijke toegang tot deze markt, terwijl de allochtone gemeenschappen in ons land die niet hebben, althans veel minder gemakkelijk, al was het alleen maar wegens de achterstand in taal, opleiding, invloed en macht. Daar schieten beweringen als ,,Ik schrijf wat ik wil, laten zij er maar een column of een artikel tegenin schrijven'' helemaal langs heen.

Ook dit inzicht in de `werking van de markt' doorbreekt een louter juridische benadering en vormt een bouwsteen voor een maatschappelijke benadering van het recht op vrije meningsuiting.

Betekent dit dat kritiek op religie in de kiem dient te worden gesmoord, omdat de betreffende religieuze groeperingen er onaangenaam door worden getroffen en omdat ze veelal een weerwoord op de `markt van ideeën' ontberen? Ik ben de laatste om hier `ja' op te zeggen. Er is te veel onvrijheid, ongelijkheid en discriminatie in de religies – niet alleen in bepaalde islamitische, maar ook in christelijke tradities – om deze met de (soms) huichelachtige mantel der liefde te bedekken.

Ook de religies zelf bedienen zich van invectieven jegens andersdenkenden die absoluut niet door de beugel kunnen, zoals de recente uitspraak door functionarissen van het Vaticaan dat de scheiding in Nederland tussen nazi-euthanasie en euthanasie volkomen vervaagd is. Ik voor mij meen dat de religies de mensenrechten onverkort dienen te respecteren, met name in eigen gelederen, en daaraan bij een conflict met de eigen tradities voorrang dienen te geven.

Maar de publieke discussie daarover dient vanuit een maatschappelijke benadering van het recht op vrije meningsuiting te worden gevoerd. En wel met respect voor de menselijke waardigheid: een nog fundamenteler recht dan het recht op vrije meningsuiting.

Hans van der Ven is hoogleraar vergelijkende empirische theologie, met speciale aandacht voor mensenrechten, aan de Radboud Universiteit Nijmegen.