De bodemloze put van Sondershausen

In de kilometerslange gangen van een oude zoutmijn in het Oost-Duitse Sondershausen wordt 80.000 ton Nederlands afval per jaar opgeborgen. Het afval moet verzakking voorkomen. Het stutten van het stadje vindt de Nederlandse rechter een `nuttige toepassing'.

Sondershausen, in de Oost-Duitse deelstaat Thüringen, ziet er niet uit als een typisch DDR-stadje. Geen lange rijen grauwe flatgebouwen, maar mooie, oude vakwerkhuisjes in een schilderachtige omgeving. Sondershausen, voor DDR-begrippen een welvarend stadje, was het hart van de Oost-Duitse zoutmijnbouw. Dit was de grootste van de zes mijnen in de DDR waar kalizout werd gewonnen voor de productie van kunstmest.

De DDR was de derde kalizoutproducent van de wereld en de op één na grootste exporteur. Aangezien de uitvoer van kalizout een belangrijke bron van deviezen was, werd de directie van de Glückauf-mijn in Sondershausen voortdurend onder druk gezet om de productie maximaal op te voeren. Tussen 1892 en 1992 – de mijn was al lang voor de DDR-tijd actief – is er zo'n 50 miljoen kubieke meter zoutsteen gewonnen. Een enorme berg op het Glückauf-terrein getuigt daar nog van: dit zijn de stenen die door een te laag zoutgehalte ongeschikt waren voor kunstmestproductie.

De Glückauf-mijn strekt zich uit over een 25 kilometer lange strook van 4 tot 6 kilometer breed. Pal onder het dorp werden op 750 meter diepte kilometerslange gangen gegraven. Het inmiddels straatarme stadje – de sluiting van de mijn in 1992 kostte 4.000 banen, waardoor een kwart van de 25.000 inwoners werkloos werd – ondervindt nu de gevolgen van die expansiedrift.

Om de productie sneller op te kunnen voeren, heeft de toenmalige directie van de mijn tussen de mijngangen een laag zoutsteen laten zitten van slechts vier tot zes meter breed. ,,Ze wisten dat dat veel te weinig was'', zegt technisch directeur Helmut Springer van GSES (Glückauf Sondershausen Entwicklungs- und Sicherheitsgesellschaft), de huidige eigenaar van de mijn. ,,Om instortingsgevaar te voorkomen moet je minimaal twaalf meter tussen de gangen laten zitten.''

Het gevolg is dat twintig van de vijftig miljoen kubieke meter die in de mijn zijn leeggehaald door instorting al niet meer begaanbaar zijn. Voor de rest van de mijn dreigt hetzelfde. Instortingen onder grond leveren boven de grond gevaar op. Springer: ,,Als de mijngangen niet verstevigd worden, dreigt heel Sondershausen zo'n 3,20 tot 3,60 meter te verzakken.'' In de honderd jaar dat de mijn operationeel geweest is, is Sondershausen al 1,80 meter verzakt. Dat heeft al geleid tot problemen met funderingen en rioleringen. ,,Begin jaren negentig verzakte Sondershausen zo'n 27 centimeter per jaar. In de jaren daarna zijn we begonnen met het opvullen van de meest kritische punten in de mijn en inmiddels is de verzakking teruggebracht tot twee centimeter per jaar.''

GSES verstevigt de mijngangen door ze op te vullen met afval. ,,We hebben berekend dat we van de dertig miljoen kubieke meter van de mijn die nog begaanbaar zijn, zo'n 6 miljoen kubieke meter moeten opvullen om in elk geval de verzakkingen onder het bebouwde deel van Sondershausen te stoppen.'' Voor een deel kan GSES hiervoor beschikbare zoutsteenresten gebruiken, maar meer dan de helft van het opvulmateriaal moet van buiten komen. GSES gebruikt daar afval voor. Dat heeft het voordeel dat je er geld voor kunt vragen: bedrijven willen er immers vanaf.

Behalve het afval levert ook een aantal nevenactiviteiten inkomsten op. Zo is er onder de grond een concertzaal gebouwd en in de mijn is sinds kort zelfs een kegelbaan. Incidenteel zijn er evenementen – zoals een wielerwedstrijd door de mijngangen – en vrijwel dagelijks bezoeken toeristen de mijn voor een rondleiding. Sinds enkele maanden produceert GSES zelfs weer een beetje zout, dat aan lokale gemeenten wordt verkocht als strooizout.

GSES is in 1995 opgericht door vijf partijen: een afvalbedrijf, een investeringsmaatschappij, een schachtenbouwer, een mijnbouwconcern en de Duitse deelstaat Thüringen. Inmiddels heeft de investeringsmaatschappij, het Nederlandse Floreal Environmental Europe, drie andere aandeelhouders uitgekocht en bezit ze een meerderheidsbelang van 75 procent. De overige 25 procent van de aandelen is in handen van mijnbouwconcern Ruhrkohle AG (RAG), tevens eigenaar van de laatste overgebleven steenkoolmijnen in Duitsland. GSES is de enige participatie van Floreal Environmental, dat op zijn beurt weer in handen is van een groep investeringsfondsen en van Jaap van Engers, decommercieel directeur van GSES. Van Engers runde voor hij naar Sondershausen vertrok in Nederland een adviespraktijk voor de afvalbranche.

GSES kocht de Glückauf-mijn van de Treuhand, de overheidsinstantie die in Oost-Duitsland belast was met het herstructureren en waar mogelijk privatiseren van voormalige staatsbedrijven van de DDR. GSES verwierf met de zoutmijn niet alleen het recht het opvullen van de mijn – dat nog zo'n vijftien jaar gaat duren – commercieel te exploiteren, maar ook de plicht om de mijn daarna in veilige staat achter te laten. ,,We zijn verplicht de mijn op te vullen op de plekken waar dat nodig is en alle schachten die toegang geven tot de mijn daarna vol te storten en hermetisch af te sluiten'', zegt Jaap van Engers.

Het is vooral belangrijk dat er geen water in de mijn kan komen. ,,Het zoutsteen is miljoenen jaren geleden ontstaan doordat de zoutlagen niet in contact kunnen komen met het grondwater. Zodra zout met water in aanraking komt, lost het op.'' Dat maakt de zoutmijn volgens Van Engers ook zo geschikt om op te vullen met afval. ,,De mijn is een gesloten geheel, het afval dat hier ligt kan nooit in contact komen met het grondwater of met andere lagen in de bodem.'' Daarom is de mijn commercieel zo interessant. ,,Gevaarlijk afval ligt hier veiliger dan bijvoorbeeld op een stortplaats.'' Lang niet alle afval is geschikt om in een zoutmijn te stoppen. Het afval mag niet radio-actief zijn, niet zelf ontbrandbaar, niet explosief en er mag geen gasvorming optreden. ,,Daarmee valt het grootste deel van het afval af.''

Het afval dat wél in de zoutmijn verdwijnt, bestaat vooral uit residuen die overblijven na het verbranden van afval, zoals vliegassen en rookgasreinigingsresten. ,,Deze afvalstoffen bevatten vaak zware metalen, waardoor je er vrijwel nergens mee naartoe kan.'' In Nederland belanden deze afvalstoffen vaak op stortplaatsen. ,,Maar doordat storten in Nederland zeer zwaar belast wordt, kan het voor afvalverwerkers die met grote hoeveelheden residuen blijven zitten, interessant zijn om die naar ons te brengen.''

Er is een jarenlange juridische strijd aan voorafgegaan voordat Nederlandse afvalbedrijven afvalstoffen aan Duitse zoutmijnen mochten leveren. ,,De Nederlandse overheid zette aanvankelijk grote vraagtekens bij de export van gevaarlijk afval.'' Afval mag vanuit Nederland alleen uitgevoerd worden als het in het buitenland een `nuttige toepassing' krijgt. Nederlands afval naar een buitenlandse stortplaats brengen, is niet toegestaan. Bij het opslaan van afval in een zoutmijn, was de vraag dan ook of dit een vorm van storten is, of een nuttige toepassing. Van Engers: ,,Uiteindelijk heeft de rechter bepaald dat het opvullen van mijnen om verzakking te voorkomen een nuttige toepassing is. Inmiddels doet de Nederlandse overheid dan ook niet moeilijk meer bij het verstrekken van vergunningen.''

Vorig jaar werd zestigduizend ton Nederlands afval naar Duitse zoutmijnen gebracht, dit jaar zijn er al vergunningen verleend voor de export van tachtigduizend ton. Samen verwerkten de vijf zoutmijnen die in Duitsland afval gebruiken als opvulmateriaal vorig jaar 1,8 miljoen ton afval uit binnen- en buitenland. De GSES-mijn draait nu voor ongeveer een kwart op Nederlands afval. Ook Italië is een grote leverancier. Van Engers: ,,We verwerken relatief weinig Duits afval. De andere stilgelegde zoutmijnen die actief zijn op deze markt zijn eerder begonnen dan wij. Ze hebben al langlopende contracten afgesloten met de belangrijkste Duitse leveranciers van dit soort afvalstromen.''

Het meeste afval wordt in Sondershausen afgeleverd in tankwagens. Met slangen wordt het in silo's gepompt. Een deel wordt vermengd met bindmiddel en in grote plastic zakken gestopt, die na uitharding door een lift in de mijnschacht naar beneden worden gebracht. In de mijn vormen de op elkaar gestapelde zakken een soort bouwstenen. Onder de grond worden de afvalzakken met vrachtwagens vervoerd. De gangen, die aan vier kanten uit roodkleurig zoutsteen bestaan, zijn breed en hoog genoeg om doorheen te rijden. ,,Dat moet ook wel, want de afvalzakken moeten onder de grond soms nog tientallen kilometers afleggen.''

De voertuigen zelf passen niet in de mijnlift. Ze worden daarom in delen naar beneden gebracht en onder de grond in elkaar gezet. Dat is ook de reden dat er in de mijngangen honderden afgedankte voertuigen in lange rijen achter elkaar staan geparkeerd. ,,Het is veel omslachtiger om ze helemaal naar boven te brengen. Dan moet je ze eerst helemaal uit elkaar halen. Daar hebben we de mensen niet meer voor.'' GSES heeft nog maar 120 man personeel, en die hebben hun handen vol aan het verplaatsen van het afval.

Ongeveer een derde van het afval wordt in plastic zakken gestopt. De rest wordt in een soort betonmortelcentrale aangelengd met een transportvloeistof – een zoutoplossing, géén water – en door een pijpleiding 750 meter onder de grond gebracht. Daar wordt het vloeibare mengsel in mijngangen gepompt, waarna de transportvloeistof weer wordt afgetapt, zodat alleen de afvalstoffen achterblijven. ,,Het voordeel van het vloeibaar maken van het afval, is dat alle hoeken en gaten opgevuld worden.'' Het afval, dat er uitziet als een soort asfalt, wordt binnen enkele uren hard.

Via de pijpleiding verwerkt GSES zo'n 90 tot 120 ton afval per uur. ,,Onze verwerkingscapaciteit is nu goed bezet'', zegt Van Engers. ,,Maar dat is wel eens anders geweest. In de beginjaren hebben we veel tijd en energie verloren met procederen en het heeft jaren geduurd voor de aanlevering van afval op gang kwam.'' Het gevolg was dat GSES langer aanloopverliezen leed dan was voorzien, wat voor drie van de vijf aandeelhouders reden was om vroegtijdig uit het project te stappen. ,,We beginnen onze investeringen nu pas terug te verdienen'', zegt Van Engers. ,,Vorig jaar hebben we 2 miljoen euro winst gemaakt op een omzet van 20 miljoen.''

De aandeelhouders van GSES hebben bij elkaar 35 miljoen euro in de mijn geïnvesteerd. De mijn zelf, inclusief alle terreinen, kostte 5 miljoen euro; voor 30 miljoen werden silo's, een vulinstallatie voor afvalzakken, een menginstallatie, een pompsysteem en een pijpleiding gebouwd. De Duitse overheid verstrekte 6 miljoen euro subsidie aan het project. ,,De grote investeringen zijn nu gedaan, we hoeven nu alleen nog geld opzij te zetten voor het afdichten van de schachten als de mijn over vijftien jaar definitief dicht gaat. Dat kost ongeveer 5 miljoen euro per schacht. We hebben er nog twee.''

De mijn is nu zo goed als investeringsvrij, en voor de aandeelhouders, die via Floreal Environmental 75 procent van de mijn bezitten, nadert het moment dat ze hun investering willen verzilveren. Van Engers, die al veel langer in Sondershausen werkt dan hij eigenlijk van plan was, wil zelf ook wel weer eens wat anders. ,,Ik denk dat ik ga uitzoeken of deze manier van afval verwerken ook in andere landen toe te passen is.''