Stratenmaker, wielrenner, filosoof en clown

Wielrenners zoals Gerrie Knetemann lopen grote kans niet oud te worden. Wielrenners zoals hij vragen zoveel van zichzelf dat slijtage al in een vroeg stadium het leven uit hun lichaam kan halen. Knetemann, die gisteren tijdens een mountainbiketochtje aan een hartstilstand bezweek, mocht dan het bestaan van de mens en vooral het zijne kunnen relativeren, wanneer er gestreden en gereden moest worden stond hij vooraan.

De Amsterdammer Knetemann was een man van een lach en een traan. De ene keer gierden de emoties hem door de keel en stond hij te huilen als een kind – vooral wanneer hem iets moois ten deel was gevallen. De andere keer verdrong hij de harde realiteit door grappen en grollen en stemde hij zichzelf daarmee mild. Het was een beproefd afweermechanisme waarmee hij als een showmaster veel mensen voor zich innam, maar ook mensen van zich vervreemdde. Zijn Amsterdamse humor werd niet door iedereen geaccepteerd.

Knetemann was geen clown zoals hij mede door eigen schuld werd geafficheerd. Zijn taalkundige vondsten en zijn melige maar ook treffende metaforen mochten hem dan een plaatsje verschaffen tussen 's lands meest bekende grappenmakers, hij was vooral een wielrenner die meer uit zijn lichaam haalde dan menig sportman van deze tijd.

Knetemann werd in 1978 op de Duitse Nürburgring wereldkampioen op de weg, na een spannende finale waarin hij de Italiaanse favoriet Francesco Moser met miniem verschil in een sprint à deux versloeg. Hij had moeten verliezen, volgens ingewijden. Maar als Knetemann de strijd leek te gaan verliezen, won hij. In het heetst van de strijd was hij op zijn best. Dan wendde hij zijn bravoure, onvermoede fysieke krachten en (zakelijk) inzicht aan om te winnen.

Over zijn wereldtitel hebben veel speculaties de ronde gedaan. Hoe had hij Moser en diens Italiaanse machtsblok kunnen verslaan? Had hij hem soms omgekocht? Nee, maar Knetemann erkende vorig jaar in deze krant dat hij in de finale met Moser wel had onderhandeld. De winnaar zou de verliezer uitbetalen. ,,Ik hoef nu geen bedragen te noemen, maar je kunt aannemen dat ik er in die tijd een riante doorzonwoning van kon kopen'', bekende Knetemann vorig jaar. ,,Voor hetzelfde geld word ik tweede'', zei hij in 1978 meteen na afloop van het WK in zijn bekende stijl, ,,nou ja, voor een beetje meer dan.''

Hij was een volbloed professional. Werken, er alles uithalen. Wie geen talent heeft, moet trainen. Vanaf zijn debuut in 1970 als amateur bij de wielerploeg Amstel van Herman Krott tot zijn afscheid als beroepswielrenner in 1989, bouwde hij een indrukwekkende erelijst op. Hij won vier keer de Ronde van Nederland, werd wereldkampioen, won de etappekoers Parijs-Nice, twee keer de Amstel Goldrace en droeg acht dagen de gele trui in de Tour de France. Hij reed dertien keer de Tour en bracht in de Ronde van Frankrijk tien etappes op zijn naam (vooral tijdritten). Daarmee is hij met Jan Raas en Joop Zoetemelk recordhouder in Nederland.

Samen met Raas, Zoetemelk, Hennie Kuiper, Henk Lubberding, Peter Winnen en Johan van der Velde maakte Knetemann de wielersport in Nederland in de jaren zeven en tachtig populair. Hij zorgde met ploegleider Peter Post van TI Raleigh voor Amsterdamse bluf en directheid. Raas, Post en Knetemann beschikten over het geheugen van een olifant. Wie hen `flikte' kon rekening op jarenlange achtervolging. Ze haalden er ook hun inspiratie uit. Vooral de snel gekwetste Knetemann.

Wanneer zijn afkomst ter sprake kwam, verwees Knetemann naar zijn tijd als stratenmaker. Hij had de stenen op de Dam gelegd, op zijn knieën gezeten om kabinetswerk af te leveren. Die arbeidsethiek hield hij ook zijn ploeggenoten en later als bondscoach van de Nederlandse profs zijn renners voor. Hij slaagde er nooit in een wereldkampioen af te leveren. Vanwege zijn verdiensten voor het Nederlandse wielrennen werd hij benoemd tot ridder in de orde van Oranje Nassau.

Kenmerkend voor zijn strijdlust was de terugkeer na een zwaar ongeluk. In 1983 reed brildrager Knetemann in de wedstrijd Dwars door België bij slecht weer tegen een geparkeerde auto op. Hij brak zijn been op twee plaatsen en er bleken vier pezen plus een zenuw in zijn rechterarm doorgesneden. Knetemann moest heel lang revalideren. Met elastiekjes aan de toppen van zijn vingers werd de weerstand verhoogd. Vraag van Knetemann aan de dokter: `Kan ik straks piano spelen? Ja? Nou, dat is geweldig, want dat heb ik nog nooit gekund.'

Twee jaar na zijn ongeluk won hij de Amstel Goldrace. Huilend stond hij op het erepodium. ,,Dat Greet dit nog mag meemaken'', snotterde hij, zoals hij in 1978 aan de finish van het wereldkampioenschap had gesnotterd. Zijn echtgenote Greet was ook wielrenster. Zij hebben drie kinderen, hun dochter Roxane is een talentvolle juniore in het wielrennen. Tot voor kort dreef hij een keten van pannenkoekenrestaurants. Hij was een veelgevraagd spreker, een `omluller' noemde hij dat in zijn bekende stijl.

Knetemann was in zijn rennersdagen een verwoed lezer. Hij las over de Boeddha en Jaweh, over de Chinese, Romeinse en Griekse culturen en had op zijn nachtkastje `In de Ban van de Ring' van Tolkien liggen. ,,Wie ben ik, wat zijn wij?', zei hij in april 1980 in de Volkskrant. ,,Alexander de Grote wilde op zijn negentiende de wereld veroveren. Toen hij 32 was ging hij dood. Daar is niets van overgebleven. Die dacht ook dat hij het geweldig deed. Volgens mij is alles voorbestemd. Het is in grote lijnen al uitgestippeld. Als je daar in gelooft, hou je wel op met vechten. Da's makkelijk, word je rustig van.''

En in hetzelfde interview: ,,Als het volk vrijgelaten wordt, des te rapper is de cultuur naar de kloterij. Er zijn al voortekenen. Er staat een andere rechtsorde op.''

Gerrie Knetemann was wielrenner en probeerde filosoof te zijn. Hij was bloedserieus en probeerde clown te zijn. Een man met vele gezichten.