Mijn ondergoed was ik voortaan toch weer zelf

Stel, je woont in Afrika en je hebt geen geld om een wasmachine te kopen. Het is iedere dag warm, benauwd zelfs, en katoenen bloezen krijgen na een dag een zwarte rand op de kraag. De hoge luchtvochtigheid maakt dat het zweet bij de minste fysieke inspanning langs je rug loopt. Iedere dag wassen, is dus het devies. Maar wasmachines zijn twee keer zo duur als in Europa, wasserettes zoals in Europa bestaan niet, en in personeel heb je geen zin. Twee mogelijkheden blijven over. Alles op de hand doen. Of het wasgoed naar een wasman brengen, een zogeheten blanchisseur.

Zo kwamen we bij meneer Bah terecht. `Blanchisseur rapide' staat in afgebladderde verfletters boven de voordeur van meneer Bah geschreven. Zijn waswinkel ligt in een van de oudste wijken van Abidjan, de commerciële hoofdstad van Ivoorkust. De cementen stoep voor zijn deur is verbrokkeld, net als de straat, waar vaalzwart gruis doet alsof het asfalt is. De overburen van meneer Bah hebben een opslagplaats voor afgekeurde cacaobonen. Altijd staat er een vrachtwagen die wordt in- of uitgeladen. Het stof van jute zakken kriebelt in je neus als je voorbij komt. Je moet uitkijken waar je loopt. De rioolput is een krater geworden. Spichtige kinderen staren je nieuwsgierig aan.

Meneer Bah is een immigrant uit Guinee. De voertaal Frans is hij niet machtig, maar hij heeft grote, licht uitpuilende ogen waaruit een bijna slaafse eerlijkheid spreekt. Zijn wasserette is waarschijnlijk de kleinste wasserette van Afrika. Achter de deur staat een eenvoudige legkast met messcherp gestreken overhemden op verbluffend precieze stapeltjes. Het is de onopgehaalde was van klanten die hun rekening niet kunnen betalen. Links een tafeltje waarachter meneer Bah staat te strijken. Achter zijn rug hangt een gordijntje dat de matras aan het zicht onttrekt.

Ramen heeft het hok niet. De deur staat gewoon de hele dag open, tenzij meneer Bah naar de moskee is, op de hoek. Heeft meneer Bah pauze, dan zit hij buiten op een houten bankje de koran te lezen. Onder de schone was, die op straat hangt te drogen, op knaapjes aan een lat die als een vlaggenstok uit de gevel steekt.

De eerste lading wasgoed was hoopgevend. Meneer Bah leverde alles symmetrisch gevouwen en proper af. Niet stralend schoon, maar degelijk schoon. Dat kwam door de goedkope kubus zeep, dacht ik, die nergens naar ruikt maar populair is onder armere Afrikanen. Wel verbood ik gebruik van het wasbord en besloot ik mijn ondergoed voortaan zelf te doen, om mijn slipjes niet aan de hele buurt bloot te stellen. Maar enkele ladingen later begon een zurige lucht op te stijgen uit het schone wasgoed van meneer Bah. Zodra ik een door hem gewassen shirt aantrok, zat de geur van tenenkaas in mijn neus. Het was onverdraaglijk.

Nieuwe zeep leek de oplossing. Ik kocht een pak zeeppoeder (Bonux) in de supermarkt en drukte hem in gebarentaal op het hart het spul royaal te gebruiken. Dat beloofde meneer Bah.

Het duurde een tijdje voordat ik erachter kwam dat meneer Bah geen stromend water had. Maar de rare geur bleef, terwijl het zeeppoeder opraakte. Meneer Bah stond op de stoep over een teil gebogen toen ik hem vroeg waar hij zijn water vandaan haalde. Hij liet de kraan zien, in een rommelhok achter de wasserette dat eigendom is van zijn achterburen. Water is kostbaar. Een volle emmer kost 25 franc, ongeveer een dubbeltje. Meneer Bah sprong er dan ook zuinig mee om. In één teil werd zoveel mogelijk kleding gewassen, in een andere werd alles `uitgespoeld'. Toen hij begreep dat hij extra emmers water mocht, nee, moest doorberekenen in de prijs, was de zurige stank snel verdwenen. Vanaf dat moment vroeg hij twee euro voor een lading was, in plaats van 1,75.

Mijn volgende ontdekking was dat de rek uit kleding verdwijnt als je te heet strijkt. Of zou het aan het uitwringen liggen? Mijn super-elastische supersnel-drogende Lafuma reisbroek ligt sinds enkele maanden lusteloos in de kast, ondanks de keurige vouw die meneer Bah in de pijpen heeft gestreken. Enkele T-shirts zijn te wijd rond de hals geworden, een badstof trainingsbroek werd een vormeloze hobbezak. Mijn favoriete shirts krijgt hij niet meer, alleen nog onverwoestbaar katoen.

Maar meneer Bah wast en strijkt en vouwt met zoveel zorg en toewijding dat het hem onmogelijk na te dragen is dat alles langzaam maar zeker grauw wordt. Echt mis ging het maar één keer. Dat was toen spelende buurtkinderen een fles bleekwater op de rand van de wasteil omstootten. Met droeve ogen liet meneer Bah de twee verminkte shirts zien. Thuis bleek dat hij tussen de rest van het wasgoed een witgevlekte broek had verstopt. We hebben drie ladingen niet mogen betalen.