Het soort films dat zeldzaam is geworden

Niet zo heel lang geleden werd nog regelmatig geprobeerd intelligente speelfilms in Nederland te maken. Een retrospectief van Studio Nieuwe Gronden stemt daarover nu al weemoedig.

In een tijd van succesbonussen, doelgroepen, marketingplannen, onbenullige prijzen en bazuingeschal over (nog) meer geld voor de `publieksfilm', is het goed om even stil te staan bij het 25-jarig jubileum van Studio Nieuwe Gronden en het type films dat dit productiehuis voortbracht. Films die node worden gemist nu er alleen nog maar óf infantiele Snowfevers in de bioscoop draaien, óf experimentele films die in selecte programma's door het land toeren voor de fijnproever.

Een middenweg is er niet meer. De voor een in principe breed publiek bedoelde intelligente speelfilm is op sterven na dood. Dat stemt treurig.

Zelfs aan het wel erg bescheiden uitgevallen programma dat het Filmmuseum wijdt aan 25 jaar Studio Nieuwe Gronden – vier speelfilms, een documentaire en wat korte films – is wel te zien dat het nog niet zo heel lang geleden beter gesteld was met de productie- en vertoningsmogelijkheden van dit soort films.

Studio Nieuwe Gronden kwam voort uit het Amsterdams Stadsjournaal, een collectief dat in de jaren zeventig maatschappijkritische, korte nieuwsfilms maakte, zeg maar een alternatief voor het Polygoonjournaal.

Dat socialistische verleden verklaart de voorkeur voor films waaruit een sterke maatschappelijke betrokkenheid blijkt, zoals in Mijke de Jongs In krakende welstand (1989) en Hartverscheurend (1993) – twee films waarin de (tanende) kraakbeweging een grote rol speelt. Ook produceerde SNG documentaires over Afghanistan en de Sovjet-Unie.

Uit de SNG-films blijkt ook een grote gevoeligheid voor het Nederlandse landschap. Zo maakte Digna Sinke een documentaire over het verdwijnende industriële erfgoed en een roadmovie die dwars door Nederland voert. En in het debuut van Arno Kranenborg, De kersenpluk (1996), is het platteland bijna als personage aanwezig.

De films van Studio Nieuwe Gronden ademen het verlangen naar een tijd waarin de maatschappij nog geen haast had, melancholie over het verlies van jeugdige onbevangenheid. Dat gevoel is prachtig gevangen in De drie beste dingen van het leven van Ger Poppelaars uit 1992.

Die gemeenschappelijke grondtoon geeft de producties een duidelijk herkenbare signatuur: de producent als auteur. In alle gevallen was die producent de in 2001 overleden René Scholten, die vlak voor zijn dood nog net het Gouden Kalf voor de Cultuurprijs in ontvangst mocht nemen.

Nu, pas drie jaar later, is er al de weemoed naar het soort films dat hij graag zag. Een weemoed die perfect zou passen bij een van zijn films, dat wel.

25 jaar Studio Nieuwe Gronden. 4 t/m 14 november. In: Filmmuseum Vondelpark, Amsterdam. Op 4 november in Filmmuseum Cinerama.