Een ontvoerder die sokken vouwt voor Aldo Moro

Theo van Gogh laat bij zijn dood een film na over een politieke moord in de moderne geschiedenis van Nederland. Als die film ook maar een beetje lijkt op Buongiorno, Notte van Marco Bellocchio, dan mogen wij onze handen dichtknijpen. Je mag het eigenlijk niet verwachten, want de moord op Pim Fortuyn is nog maar zo kort geleden, dat het haast onmogelijk is om daar nu al zo'n bezonnen en werkelijk onafhankelijke visie op te hebben ontwikkeld.

Bellocchio hééft dat namelijk, en dat is wel het allerknapste aan zijn film. Hij weet zijn eigen visie op te leggen aan een beroemd moment uit de recente geschiedenis van Italië, de ontvoering van en de moord op Aldo Moro, voorzitter van de dominante christen-democratische partij in Italië, in 1978.

Het is een humane visie op een inhumane gebeurtenis, dat maakt het extra mooi. Als het daarbij bleef – menselijk, meer niet – dan was Bellocchio een sympathieke regisseur. Maar hij heeft met filmische middelen zijn eigen visie over de geschiedenis heen gelegd, zodat hij deze gebeurtenis uit het televisietijdperk van een nieuwe, eigen iconografie heeft voorzien. Dat is ongelooflijk knap.

Een voorbeeld om te laten zien hoe simpel en doeltreffend, hoe filmisch vooral, de 65-jarige Bellocchio daarbij te werk is gegaan. Hij laat ons van de ontvoering vernemen via de beelden van het tv-journaal. Dan gaat de bel van het huis waar de Rode Brigades straks hun slachtoffer zullen verstoppen. Het is de bovenbuurvrouw. Ze vraagt aan de bewoonster van het schuilhuis, Chiara, of zij even op haar baby wil passen en drukt die meteen in haar armen. Chiara, doodzenuwachtig wachtend op de komst van haar kameraden, legt de baby op de bank.

Dan gaat nogmaals de bel. Vóór in beeld ligt de baby, achter in beeld gaat de deur open. De camera houdt de baby scherp in beeld, op de wazige achtergrond komen de mannen binnen met een kist waarin wij Moro vermoeden.

Met deze scherpteverdeling laat Bellocchio zien dat voor hem die baby, instinctief lurkend aan zijn flesje, van wezenlijker belang is dan de vier terroristen die een reden hebben bedacht om een politicus te ontvoeren en aan een `volksproces' te onderwerpen.

De hele film door blijft Bellocchio consequent voor dit menselijke standpunt kiezen, en dan met name dat van Chiara, de vrouwelijke brigadiste. Ze strijkt, dopt boontjes en ze blijft, alle dagen dat zijn en haar kameraden in dat verstikkende huis voor Moro zorgen, maar door het ooggat turen naar die oude, gebutste man in zijn cel – ,,zoals mijn moeder steeds ging kijken of de gaskraan openstond'', schampert een van haar kameraden.

Bellocchio situeert zijn drama welbewust in de kleine ruimte van het schuilhuis, dat als vanzelf symbool wordt voor het fysieke en geestelijke isolement van de vier Brigadisten. De verbijstering op hun gezichten als zij zich voor de tv hebben genesteld om de reacties op hun daad te vernemen en ze de leider van de communistische partij tegen een zaal vol kameraden – hun geestverwanten – horen zeggen dat ze slechts ,,een klein groepje moordenaars'' zijn. ,,Waarom protesteert niemand'', vraagt een van hen bedremmeld.

De hoofdrolspelers, ontvoerde en ontvoerders gelijkelijk, willen verlost worden van hun rol in dit drama, maar het noodlot laat hun geen uitweg. De buitenwereld is noch in hen, noch in Moro geïnteresseerd, alleen willen zij daarbinnen dat niet onder ogen zien. Ze cirkelen maar om Moro heen, die ze niet als persoon benaderen, maar als functionaris en vertegenwoordiger van een systeem waaraan zij de oorlog hebben verklaard. Zoals hun leider (een ernstige rol van Luigi Lo Cascio, de lachende broer uit La meglio gioventù) naar eigen zeggen ,,het hele proletariaat'' vertegenwoordigt.

Bellocchio schept met dergelijke wel, bijna ironiserend, afstand tot de denkbeelden van zijn hoofdpersonen, maar hij neemt geen afstand van hen. Integendeel, zij zijn zijn hoofdpersonen en hij portretteert hen met liefde, als mensen die beminnen, naar kanaries fluiten en schone sokken opvouwen voor hun ontvoerde kostganger. Het is typisch voor de maker van I pugni in tasca (1965), Nel nome del padre (1972) en Gli occhi, la bocca (1982) dat hij de psyche van zijn personages interessanter vindt dan wat ze meemaken. Niet alles wat we zien, doet ertoe voor het verhaal. Maar het doet er allemaal wel toe voor hun gemoedstoestand.

In Chiara (een tour de force van Maya Sansa, ook al uit La meglio gioventù) legt Bellocchio ten slotte de droom van de ontsnapping – in alle opzichten. In de eerste dagen van de ontvoering droomde zij nog in plaatjes van de Russische revolutie à la Dziga Vertov: een spoortrein die zich een weg baant door het sneeuwlandschap, jonge, vrolijke Sovjet-vrouwen. Aan het eind is het een nachtmerrie geworden met executies van partizanen door de nazi's. En om geen misverstand te laten bestaan over wie de partizanen en wie de nazi's zijn in dit verhaal, zegt Chiara nog dat de brief van Moro aan zijn vrouw, haar doet denken aan de brieven die haar vader vroeger voorlas van verzetsstrijders vlak voor hun executie.

Dat inzicht durft Chiara niet bij zichzelf toe te laten. En zelfs Bellocchio kan niet doen alsof Moro, de echte Moro niet is geëxecuteerd omdat de ontvoerders spijt kregen. Maar hij kan wel hun spijt laten zien en Chiara de droom gunnen van Moro uit zijn celletje laten gaan en de straat op sturen. Zo krijgt de film, na de deprimerende nieuwsbeelden van de staatsbegrafenis van Moro en de hypocrisie van het Italiaanse establishment, een optimistisch einde. Een sterke man die genoeglijk glimlachend in de dageraad het Rome van nu binnenloopt. Dat beeld staat voortaan voorgoed naast dat van de gevangen Moro onder de vijfpuntige ster van de Rode Brigades.

Buongiorno, notte. Regie: Marco Bellocchio. Met: Maya Sansa, Luigi Lo Cascio, Roberto Herlitzka. In: 8 bioscopen.

INTERVIEW BELLOCCHIO

vrijdag in Cultureel Supplement