De negentiende dag van de ramadan in Amsterdam-Oost

De dood is een hek.

Vijftig meter verder en onbereikbaar

Een blauwe tent als van gemeentewerkers

Die aan een onderaardse leiding werken,

Voor een katafalk een te frivole en genokte punt.

Je gaat de hoek om en een ander land.

Politiewagens. Ambulances. Witte pakken.

De achtergrond een toren zonder kerkgebouw.

Geen vinger Gods, een menhir in een seculiere stad,

Luidt sinds twee dagen wintertijd. Onwennig duister nog.

Wat verder bomen van het Oosterpark:

`Een jongen was hij, maar een aardige jongen'

Mijn kant de andere, niet de gordel,

Van media, waxinelichtjes en bloemen. Slap.

Met zinloos waken zelf bedacht. De industrie.

Hier mensen, aandoenlijk in verwarring,

Hoofddoeken die de fatwa niet verwachtten.

Ik kan zijn fiets niet zien. Dat is ook goed,

Gescheiden voorwerpen worden onverdraaglijk symbool

En lopen zag je hem nooit in deze buurt,

Alle hoeken liet hij almaar fietsend zien.

`Een jongen was hij, maar gehaast'

Onder het spoorviaduct spreken andere jongens,

Marokkaanse en Antilliaanse, grommend Theo van Gogh

– haat, zenuwen, hormonen – en `Hirsi doden'

Voornaamloos het volgende verhaal.

`Daar leg hij' zegt een meisje lachend.

Bureau Linnaeusstraat marcheert met macho mannen

Het drietal slaat opeens af naar de Vrolikstraat,

Met extra bordje OP uit andere tijden.

Een jongen heft zijn witte jack en capuchon

En het contrast met zijn gekleurde huid

Voor hij vrijwel gedienstig in de politieauto stapt.

Inbreker, vertelt een jonge vrouw met hoofddoek.

Door gaat het leven en ik kan er niets aan doen,

Terug in de straat van zijn zoon,

Staat hij weer, naast de fiets, in zomertijd.

Hoe fietst men in djellabah? Was het een herenfiets,

Want ze schieten je gedachten nu graag alle kanten uit:

Het Republikeins Genootschap heeft weer een vurig member minder.

Stop! Het verkrachte woord respect is voortaan verdaan,

Geschikt als grafschrift, verder niets.