Trots en troost

Hoe Amerikaans wil Nederland worden? Op het gebied van populaire cultuur zijn we, evenals de meeste westerse landen, allang the 51st State. Wat helemaal niet wil zeggen dat we zijn gekoloniseerd: Bløf zingt onversneden Nederlands, en met die rockmuziek hebben we, zoals met zoveel Amerikaanse innovaties, een mondiale cultuur betreden die lokaal is in zijn uitingsvormen. We zijn geen neefjes van Uncle Sam, ook al hebben we veel van hem geleerd.

Maar op sociaal-economisch gebied lijkt Nederland veel minder enthousiast om het Amerikaanse voorbeeld te volgen, zeker zoals dat de afgelopen vier jaar door George Bush in praktijk is gebracht: ideologisch gepolariseerd, snoeihard individualistisch, en met een sterke afkeer van bescherming door de overheid althans voor burgers; voor bedrijven als Enron en Halliburton is het weer een heel ander verhaal. Nederland neemt moeizaam afscheid van de verzorgingsstaat, en de behoefte bij een groot deel van de bevolking lijkt eerder te zijn die hoeksteen van de naoorlogse samenleving te moderniseren dan bij het oud vuil te zetten als een zak vol decadent nihilisme.

,,Alles bij elkaar genomen lijkt de Nederlander vooral geporteerd te zijn voor een hard-van-buiten-zacht-van-binnen samenleving met enerzijds strenge regels en anderzijds een grote mate van gelijkheid, veel onderlinge betrokkenheid en een hoog niveau van verdelende rechtvaardigheid.'' Dat is de beknopte slotsom van het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat vorige week in In het zicht van de toekomst de toekomstvisie van Nederlanders peilde. De paradoxale uitkomst is al breed uitgemeten: verreweg de meeste Nederlanders zijn tevreden over hun eigen leven, maar maken zich tegelijk grote zorgen over de samenleving, vooral inzake geweldscriminaliteit, omgangsvormen op straat, de integratie van minderheden en de afbraak van de verzorgingsstaat. Uit het rapport blijkt een ,,sterke gehechtheid aan het bestaande stelsel'' van sociale zekerheid, een brede afwijzing van de prestatiemaatschappij, behoefte aan gemeenschapszin en aan een minder onpersoonlijke samenleving, die ook zijn weerslag moet krijgen in een nieuwe, op menselijke maat gesneden stijl van politiek leiderschap.

Hard van buiten, zacht van binnen dat doet weer onweerstaanbaar denken aan Pim Fortuyn, dezer dagen in de race om postuum tot grootste Nederlander aller tijden te worden gekozen. Achteraf wordt steeds duidelijker hoezeer de massale steun die hij in 2002 wist te verwerven, werd gedragen door juist dit vage, culturele onbehagen dat het SCP analyseert: het onbehaaglijke gevoel verzeild te zijn geraakt in een dynamische, welvarende maar tegelijkertijd onzekere, ingewikkelde en onpersoonlijke samenleving. Fortuyn bood als remedie tegen dat onbehagen het duo trots (op Nederland) en troost (gemeenschapszin), emotioneel werkzame medicijnen die Paars hooguit onder de toonbank verkocht. Die combinatie maakte Fortuyn een held van zowel de middenklasse die zich prima redt in de moderne samenleving, maar die niet betutteld wil worden door technocraten in Den Haag, als van minder bevoorrechte sociale groepen die zich bedreigd voelen en juist méér ingrijpen en bescherming van de overheid eisen. Hoe divers die sociale segmenten ook zijn, ze delen de hang naar een samenleving waarin mensen niet alleen maar klanten of concurrenten zijn, op de markten van economie, wonen, onderwijs, verzekering en zorg.

Maar veelzeggend in het SCP-rapport is ook, dat die hang naar gemeenschap zich, volgens het planbureau, nauwelijks vertaalt in de bereidheid van burgers om zich gezamenlijk in te zetten voor zo'n `warmere' samenleving: dan wordt het heil kennelijk toch verwacht van een politicus of leider die samenbindend perspectief kan bieden. In zijn inleiding schrijft SCP-directeur Paul Schnabel: ,,In de verwachtingen voor de toekomst is in Europa [dus volgens het SCP niet alleen in Nederland, maar daar vooral red.] dan ook niets te merken van het licht manische dat in Amerika als normaal geldt en als optimisme en ondernemingszin te boek staat. De stemming is eerder aan de depressieve kant, men mist gemeenschapszin. Wat ontbreekt, is een wenkend perspectief.'' Voorheen bood het opbouwen van de verzorgingsstaat nog dat sociale perspectief, maar inmiddels is die zelf, terwijl de bevolking er nog zeer aan hecht, ,,voor de regering eerder een bron van zorg dan van trots geworden''.

Die onzekere situatie biedt politieke kansen, maar voor wie? Sinds de moord op Fortuyn wordt alom een `gat op rechts' gesignaleerd, en verdringen politici elkaar om harde taal uit te slaan over veiligheid, allochtonen, islam en andere hete onderwerpen. Maar waar blijft de keerzijde, het `zacht van binnen' waar Fortuyn aan appelleerde? Als we het SCP-rapport aanhouden, leeft onder ons Nederlanders wel de behoefte aan strenge regels – en met name aan fatsoenlijke omgangsvormen in de publieke ruimte – maar is dat nog geen vrijbrief voor een snoeiharde rechtse herverkaveling. Integendeel, de individualistische prestatiesamenleving, zoals die bijvoorbeeld wordt bepleit door de nieuwe `emancipatieliberalen', wordt blijkens het SCP-rapport door de meeste Nederlanders afgewezen: niet verwonderlijk, want ook Fortuyn kon niet alleen goed tekeergaan tegen de anonieme bureaucratie maar ook tegen de `dictatuur' van de meritocratie. Het hele rapport is doortrokken van heimwee naar een sociaal, aangenamer Nederland helemaal niet van verlangen naar een hard, ideologisch gedreven land – al komt dat er misschien wel aan. De paradoxen van Fortuyn – zucht naar Romantiek én trots op de Verlichting, hang naar dynamische moderniteit én naar warme gemeenschap – zijn de onze, en dus óók die van de politicus die wil oogsten op rechts.

De moord op Theo van Gogh, filmmaker en publicist, werd vanochtend bekend kort nadat ik een punt had gezet achter de slotzin van deze column. Die is in één klap totaal verdampt maar dat is niet belangrijk. De dood van Van Gogh is een misselijkmakend en deprimerend bericht, waarvan de gevolgen in een Nederland dat vervaarlijk op drift is, nog niet zijn te overzien.