Markt en zorg gaan heel goed samen

Het zal zo'n 14 jaar geleden zijn geweest dat de bewindsman van Volksgezondheid het ook aan de stok kreeg met de verzekeraars over de hoogte van de premies. Toenmalig staatssecretaris Hans Simons had met brede politieke steun een nieuw stelsel bedacht met een volksverzekering voor alle Nederlanders. De plannen beoogden solidariteit en marktwerking te laten samengaan in een nieuw stelsel dat ziekenfonds, standaardpakketpolis en particuliere ziektekostenverzekering zou gaan vervangen.

Kort voor de behandeling in het parlement maakten de particuliere ziektekostenverzekeraars bekend dat de premies het komende jaar toch flink omhoog moesten, alle marktwerking ten spijt. Simons ging in verzet en er kwam een openbaar debat voor de televisie waarin toenmalig VNO-voorzitter A. Rinnooy Kan en Simons over het onderwerp duelleerden. Simons verloor op punten. Er was een haakje gevonden waarmee de plannen konden worden getorpedeerd en dat gebeurde dan ook van alle kanten. Ondanks de brede steun binnen het kabinet-Lubbers bleven de plannen steken in de blubber van het maatschappelijke middenveld en kwam de volksverzekering er niet. Herkent u het?

De gezondheidszorg is een sector waarin meer dan een miljoen Nederlanders werkzaam zijn. Voor de beroepsorganisaties, adviesinstanties, patiëntenorganisaties, verzekeraars, adviesbureaus, lobbyisten, ziekenhuizen, farmaceuten en andere belanghebbenden bestaat een soort gele gids van wel een paar centimeter dik. Een goed georganiseerde sector dus waarin grote belangen spelen. Elke keer als de politiek de moed krijgt de aderverkalking in de volksgezondheid aan te pakken, komt deze arena van belangen als vanzelf in beweging. Logisch, want er staat nogal wat op het spel voor de meeste deelnemers. De reden is simpel: met meer marktwerking moeten de billen bloot en dat vindt niemand leuk, tenzij sprake is van exhibitionisme, maar daar hebben de calvinistische Nederlanders gewoonlijk geen last van.

Waarom fulmineert men tegen de marktwerking? Het antwoord is simpel. In een door het aanbod gedreven stelsel van gezondheidszorg worden volumina en prijzen niet vastgesteld op de harde pijnbank van de zorgconsument. Daarom sluipt lucht in de kostprijs van de zorg. Omdat de zorgkosten grotendeels bestaan uit salarissen, gaat dit nieuwe stelsel dus regelrecht ingrijpen in beloningsstructuren en arbeidsplaatsen. Tegenstanders – meestal direct of indirect belanghebbenden – stellen dat de gezondheidszorg zich niet leent voor marktwerking. Steevast wordt dan verwezen ofwel naar de ellendige situatie in de Amerikaanse gezondheidszorg ofwel naar de schaarste van het Nederlandse aanbod waardoor de markt zijn werk niet zou kunnen doen.

Dergelijke argumenten snijden geen hout. De Amerikaanse zorg kent immers geen basisverzekering voor iedereen, geen acceptatieplicht en geen risicoverevening voor verzekeraars. Ook het tweede argument – de vermeende schaarste in Nederland – is een drogreden. Zolang de marktrigueur geen heilzame druk mag uitoefenen, worden aanbieders niet gedwongen om efficiënter te werken en meent de buitenstaander dus dat sprake is van onoplosbare schaarste. Zo weten we onder meer uit de zogenoemde doorbraakprojecten van het CBO, het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg, dat ziekenhuizen veel meer kunnen met dezelfde middelen als alle neuzen maar één kant op staan en de juiste prikkels aanwezig zijn.

Ten slotte zijn er nog de politici en de hoogleraren die twijfelen aan de mogelijkheden van de zorgconsument om prijs en kwaliteit van het zorgaanbod te kunnen vergelijken. Het voorstel is echter dat de zorgverzekeraar als collectieve inkoper dat namens zijn klanten gaat doen. En de zorgverzekerde is jaarlijks vrij om te switchen op basis van polis, kwaliteit en premie, iets wat menige ziektekostenverzekerde of standaardpakketpolisverzekerde nu feitelijk niet kan.

Weer staat de val voor de bewindspersoon van Volksgezondheid open.

Jeroen van den Oever is oud-directievoorzitter van het Zilveren Kruis en lid van de Raad van Bestuur van Ohra.