EU is niet klaar voor Turkije

Met het opnemen van Turkije riskeert de Europese Unie haar eigen ontbinding, meent Dominique Moïsi. Volgens hem moet het debat over Turkije worden losgekoppeld van dat over de Europese Grondwet.

Hoop tegen vrees, vrees tegen hoop: dat is eenvoudig gesteld de betekenis van het debat over de Turkse kandidatuur voor de Europese Unie. Het is waarschijnlijk de meest beslissende en moeilijke uitdaging waarvoor de EU ooit heeft gestaan, evenzeer voor ons als voor hen, en meer dan ooit lopen emotie en werkelijkheid door elkaar. Turkije is over 10 jaar misschien wel klaar voor de Unie, maar is de Unie dan ook klaar om het te aanvaarden?

Nu het Oost-West-conflict uit de jaren van de Koude Oorlog heeft plaatsgemaakt voor een conflict met de fundamentalistische islam, staat Europa voor een lastige keus. Als Europa zijn model van verdraagzaamheid, vrede, verzoening en welvaart wil blijven exporteren, is Turkije het juiste land op het juiste moment en op de juiste plaats. Het is islamitisch, democratisch, seculier en bezig zich te moderniseren, en het grenst aan het Midden-Oosten en de Kaukasus.

Maar mag Europa, een continent dat zelf op zoek is naar zijn politieke en geografische identiteit, zich zo grootmoedig en idealistisch opstellen tegenover de belangen die het zelf op lange termijn heeft? Mag het zijn eigen ontbinding riskeren? Uit opiniepeilingen blijkt dat in elk geval in Frankrijk 75 procent van de bevolking niet bereid is Turkije te aanvaarden – een weigering die voortkomt uit onwetendheid, stereotypen en vooroordelen, onder het mom van gezond verstand. En zonder de steun van Frankrijk is het onwaarschijnlijk dat Turkije tot de Unie kan toetreden. Het is daarom van wezenlijk belang om inzicht te hebben in de emotionele wortels van de publieke afwijzing, die deels buiten Frankrijk van toepassing zijn.

Ten eerste: de mondialisering. Hoe meer de wereld onderling afhankelijk wordt, hoe meer de mensen op zoek gaan naar marginale verschillen. Hoe meer ze het onbekende vrezen, hoe meer ze naar vertrouwdheid verlangen. In een steeds ongodsdienstiger Europa krijgt de klank van kerkklokken iets cultureel – in plaats van godsdienstig – geruststellends. Alom heerst de gedachte dat 70 miljoen moslims een storende, zo niet ontwrichtende factor zijn voor onze selecte club.

Ten tweede wordt de integratie van Turkije door 11 september 2001 tegelijkertijd noodzakelijker en beangstigender. Als de dreiging komt van binnen de islam, zo luidt de redenering, waarom zouden we ons dan in vredesnaam met onze doodsvijand verenigen?

En anders dan Bosnië, dat ook op een dag zijn kandidatuur zal stellen, is Turkije niet alleen islamitisch maar ook heel groot. Natuurlijk is dat juist de reden dat we Turkije nodig hebben, wil ons vergrijzende continent tenminste zijn demografische dynamiek herkrijgen en zijn ambitie vervullen om werkelijk een mondiale diplomatieke rol te spelen, met name in het Midden-Oosten.

Ten derde werkt het uitbreidingsproces als zodanig tegen Turkije, omdat Europa net bezig is zich aan te passen aan de overgang van 15 naar 25 leden.

Deze drie factoren zijn pan-Europees; drie andere zijn specifiek Frans.

De moeite die Frankrijk heeft bij de integratie van zijn grote Arabische gemeenschap, werkt in het nadeel van Turkije, al is dat wederom niet eerlijk omdat de Turken allesbehalve Arabieren zijn. Verder is er de Franse gedachte van het secularisme (laïcité), en weliswaar is Turkije de seculiere schepping van Atatürk, maar zijn burgers zijn moslims, en sterker nog: steeds belijdender moslims – een verontrustend `anachronisme' voor het land van de laïcité.

Nog belangrijker is de Franse identiteitscrisis ten aanzien van Europa. Als de Fransen niet zo onzeker waren over het voortbestaan van hun doorslaggevende Europese rol, dan zouden ze misschien minder geneigd zijn de Turkse kandidatuur te zien als een Angelsaksisch, zij het niet uitsluitend Brits complot tegen de Franse kijk op Europa. Een zeker heimwee naar een Europa dat niet meer bestaat, versterkt nog de angst voor de ontbinding van een Europees project dat eens met behulp van andere middelen de belangen van Frankrijk diende.

De Turken moeten beseffen dat het debat dat in Europa plaatsvindt niet alleen gaat over mensenrechten of economisch concurrentievermogen. Het gaat over hun wezen – over een groot moslimvolk dat historisch onderdeel van de Europese beschaving is, maar dat geografisch en cultureel niet als een natuurlijk onderdeel wordt gezien.

Wat moeten de Turken in deze emotionele context doen? Ze moeten geduldig en creatief zijn. Hun gedwarsboomde nationalisme zal hun door de tegenstanders van hun zaak worden verweten. Turkije staat voor de enorme taak om het beeld dat zoveel Europeanen en vooral Fransen ervan hebben als `de zieke man van het Oude Europa' te veranderen in de `gezonde man van het Nieuwe Europa'. Het is van wezenlijk belang dat de Turkse prestaties onder de aandacht worden gebracht, maar het is niet genoeg en het is geen antwoord op de emotionele aard van de uitdaging die ons wacht.

Intussen moeten de huidige leden van de Europese Unie, als ze eerlijk zijn en hun verantwoordelijkheid nemen, hun uiterste best doen om het debat over Turkije los te koppelen van het debat over de Europese Grondwet.

Dominique Moïsi is verbonden aan het IFRI, het Franse Instituut voor Internationale Betrekkingen.