Arcadië

Het was zo donker in de taxi en de chauffeur was zo zwart dat ik, vanaf de stoep door de zijruit turend, aanvankelijk niets kon onderscheiden. Geleidelijk ontdekte ik dat de chauffeur vredig achter het stuur lag te slapen.

,,Zal ik hem wakker maken?'' vroeg ik mijn vrouw.

We hadden geen keus. We stonden op een verlaten weg aan het begin van een vermoedelijk verlaten stadje, Ossining geheten, drie kwartier sporen ten noorden van New York. We wilden naar Cedar Lane toe, waarvan we vreesden dat het ook nog eens buiten Ossining lag. Achter ons lag het spoorwegstation, daar beneden baadde de Hudson in de glans van de eeuwigheid. De zon stond scherp aan de hemel, het was een zomerse zondag in oktober.

Ik bukte me en keek weer de auto in. Ik schrok even. De chauffeur keek terug, met heldere, wijdopen ogen die vroegen: wat wil je? Ik legde hem de bestemming uit en vroeg wat het ging kosten. ,,Vijf dollar'', zei hij. We stapten in en hij reed langzaam de heuvel op.

Wat zochten we nou precies, vroeg de chauffeur na een poosje. Ik vertelde dat aan Cedar Lane een schrijver had gewoond die ik zeer bewonderde. John Cheever, voor mij een van de beste verhalenschrijvers van de vorige eeuw. Cheever had in de jaren vijftig met zijn jonge gezin in New York gewoond, vlakbij de Queensboro Bridge ten oosten van Central Park. De buurt werd te duur voor hem en hij verhuisde naar Ossining, waar hij tot aan zijn dood in 1982 zou blijven wonen. Hij was een gekweld man, voortdurend aan de drank en worstelend met zijn biseksualiteit. Zijn groeiende succes maakte hem welvarend, maar in zijn persoonlijke leven voltrok zich de ene na de andere catastrofe.

Cheever was zeer gehecht aan zijn huis in Ossining. Hij zei wel eens dat hij eerder van zijn vrouw dan van zijn huis zou scheiden. Ik kende het huis van foto's, een elegant wit huis van twee verdiepingen met een veranda over de volle breedte. Op de achtergrond waren naaldbomen zichtbaar. Ik had dat bedrieglijke Arcadië van Cheever altijd zo graag met eigen ogen willen zien.

,,En daarvoor bent u helemaal naar hier gekomen?'' vroeg de chauffeur. Hij begreep er niets van. ,,Bent u zelf ook schrijver?'' vroeg hij.

,,Ik schrijf voor een krant'', zei ik.

,,Dat is goed genoeg, sir.''

Hij sprak duidelijk, maar lijzig, alsof hij de slaap naar zijn woorden had overgeheveld. Hij reed steeds verder de heuvels in, zonder het huis te vinden. We vroegen hem privé-weggetjes naar huizen in te slaan, maar hij weigerde beleefd. ,,Ik neem geen risico's, sir, the people here are mean.''

,,Wat kan ons nou gebeuren?'' vroeg ik.

Hij keek me verbouwereerd over zijn schouder aan. ,,But this is America, sir!'' riep hij uit.

Opeens zagen we het huis liggen, oogverblindend wit als op de foto's. We stapten uit en maakten foto's, terwijl de chauffeur ons gadesloeg. Op de terugweg vertelde hij ons dat hij uit Jamaica kwam, dat hij sinds achttien jaar in Amerika woonde, dat hij in dit land van zijn dromen geen dag gelukkig was geweest, dat hij als chauffeur in New York voor zijn leven had gevreesd en daarom nu in Ossining woonde waar de mensen niet aardig waren.

,,The strong eat the weak, sir'', zei hij, ,,that's America.''