South Bronx

We gingen naar de Bronx, de South Bronx. Om twee redenen.

De eerste reden was dat Tom Wolfe in 1987 die stadswijk in zijn befaamde roman The Bonfire of the Vanities even onvergetelijk als verontrustend portretteerde. In hoeverre was de door Wolfe beschreven werkelijkheid nog zichtbaar? De tweede reden was dat Dan, een jonge Puerto-Ricaan uit de South Bronx, een jaar of tien geleden met een nichtje van ons trouwde en in Nederland kwam wonen. We wilden graag de straten zien waarin hij was opgegroeid.

Toeristen gaan niet naar dit deel van de Bronx, blanke New Yorkers trouwens ook liever niet. Het zijn twee volkomen verschillende werelden. Als je, zoals wij, vanuit de welvarende Upper West Side de subway neemt en een kwartier later op de Grand Concourse, de drukke verkeersader door de South Bronx, weer bovenkomt, voel je je overrompeld. Om je heen wemelt het opeens van de gekleurde mensen, vooral zwarten en Latino's, en de stedelijke omgeving is niet langer luxueus, maar grauw en naargeestig.

We liepen rechtstreeks naar het Bronx County Building op de Grand Concourse. Op de trappen van dit hoge, lelijke overheidsgebouw hield de plaatselijke afdeling van de Democratische Partij toevallig net een presentatie. Enkele hotemetoten mochten uitleggen waarom zij bij uitstek de stem van de bevolking van de Bronx verdienden. Maar die bevolking toonde amper belangstelling, af en toe riep een langslopende jonge zwarte plagerig: ,,We want Bush!''

We liepen verder, sloegen een hoek om en kwamen bij het Criminal Courts Building terecht, ook zo'n grote, cementen steenpuist uit de architectuur van de jaren zestig. Dit gebouw ligt op zo'n driehonderd meter van het Bronx County Building. Wolfe beschreef hoe de dragers van het gezag in deze gebouwen, rechters, officieren van justitie en ambtenaren, in een soort doodsangst verkeerden als zij in de buurt moesten lunchen. ,,Midden op mooie zonnige dagen om elf uur 's morgens vonden er op de top van de Grand Concourse berovingen plaats'', schreef Wolfe.

We liepen er een poosje rond, gingen lunchen bij Twin Donuts (`Often imitated never duplicated') op de hoek en voelden ons geenmoment onveilig. Geen drugsverslaafden, geen agressieve bedelaars. Er waren veel advocatenkantoortjes waarin jonge zwarten op hun beurt zaten te wachten, dus er is ongetwijfeld nog de nodige misdaad in de South Bronx, maar het is kennelijk niet het type misdaad dat midden op een mooie zonnige dag de argeloze burger kan treffen.

Dan, ons Puerto-Ricaanse familielid, groeide van 1967 tot 1983 in deze omgeving op. Het was de tijd van de heroïnejunks op straat en de gewelddadige jeugdgangs. Dan en zijn broers werden geen bendelid, dat wist hun waakzame moeder te voorkomen. Bang hoefden ze niet te zijn, want een van de bendeleiders, thuis weggelopen, woonde bij hen in en zorgde voor protectie. In hun flatgebouw woonde ook Richard Pryor, toen nog een beginnende komiek die alleen maar kon dromen van zijn latere roem. Als er wat overschoot van de maaltijden van Dans moeder, at hij graag mee. Een aardige man, die met Halloween aan de kinderen muntjes uitdeelde in plaats van snoepjes.

De flat en de straat van Dan bestaan niet meer, zoals ook de Bronx van Tom Wolfe niet meer bestaat.