Roemrucht saxofonist onbegrepen

In zijn korte leven opereerde Albert Ayler buiten de traditionele grenzen: hij werkte met John Coltrane, maar speelde ook marsen, psalmen en citaten uit de Marseillaise. Ook platenbazen begrepen hem niet. Nu is er een box met negen cd's, deels nooit eerder uitgebrachte opnamen.

Op zijn 14de speelde hij in R&B bands in Cleveland, op zijn 24ste concerteerde hij op de Parijse Champs Elysées en op zijn 34ste werd zijn lijk opgedregd uit de East River in New York.

De unieke saxofonist Albert Ayler (1936-1970) maakte tijdens zijn leven zo'n tien lp's en postuum verschenen er nog eens zoveel, merendeels concertopnamen. Met de nieuwe inktzwarte box Holy Ghost wordt Aylers carrière naar beide kanten uitgerekt. Daarnaast vullen de opnamen een aantal belangrijke hiaten. Een ontmoeting met pianoleeuw Cecil Taylor, de entree van de Nederlandse violist Michel Samson in zijn band, een optreden op het Newport Festival en een `duel' met Pharoah Sanders ze verschenen nooit eerder op de plaat.

Ayler was `too much' voor een groot publiek. Zijn signaal was zo luid en expressief dat je er bang van werd. Ook met zijn repertoire ging hij de grenzen verre te buiten. Marsen, psalmen en citaten uit de Marseillaise, wat moesten trouwe jazzfans daarmee? Want hoewel Ayler volgens kenners `absoluut niet swingde' speelde hij wel in jazzclubs, stonden zijn platen in het vakje jazz en werden ze gedraaid in jazzprogramma's.

Dat Ayler halverwege de jaren '60 in Nederland snel roemrucht werd was te danken aan drie dingen: een radio-opname van de Vara, enkele concerten in Nederlandse clubs en de aandacht van de pers. Vooral het tijdschrift Jazzwereld zat er bovenop dankzij correspondente Frens van der Mei die een baan had bij ESP, een nieuw platenlabel uit New York dat in korte tijd drie lp's van Ayler uitbracht: Spiritual Unity, Bells en Spirits Rejoice.

Aan informatie over Ayler was dus geen gebrek, maar toen hij in november '66 optrad in de Rotterdamse Doelen trof hij ook onvoorbereid publiek. Voor een deel lag dat aan de nieuwe bezetting met broer Donald op trompet en de klassieke Nederlandse violist Michel Samson. Nog belangrijker was echter dat velen gekomen waren voor andere, meer gevestigde, namen die optraden op dezelfde avond. Op de amateur-opnamen op de vijfde cd in deze box, zijn de zaalprotesten goed te horen.

Dat Ayler destijds niet `zo maar wat deed' maar al een carrière achter de rug had, valt te lezen in het fraai gebonden boek in de Holy Ghost-box. Hij werd geboren in een middle-class buurt in Cleveland, had een religieus bevlogen moeder en een musicerende vader die het hevig betreurde dat het nooit gelukt was om beroeps te worden. Albert kreeg daarom al jong saxofoonles, ging op zijn tiende naar de muziekschool en excelleerde in de high school band. Tijdens schoolvakanties toerde hij met de bluesband van mondharmonica-speler Little Walter (Jacobs). Ook speelde hij bij zanger Lloyd Price, die later ook in Nederland hits zou scoren.

Omdat een eigen R&B band niet van de grond kwam, meldde hij zich uit geldnood bij het leger. Hij werd ingedeeld bij het 113de Militaire Orkest en gelegerd in de Franse stad Orléans van waaruit hij regelmatig naar Parijs trok om op de `rive gauche' mee te jammen in hippe clubs als Le Chat qui Pêche. Op hoogtijdagen speelde hij in legeruniform bij plechtige gelegenheden als de Quatorze Juillet.

Zijn eerste opnamen maakte Ayler echter in Scandinavië. De eerste cd in deze box begint met een radio-gig in Helsinki met het bebop-kwartet van gitarist Herbert Katz. Vastgelegd in juni 1962, vier maanden eerder dus dan zijn First Recording uit Stockholm. Heel interessant voor wie Summertime eens anders `gezongen' wil horen.

Pas na zijn terugkeer naar Amerika ontstond de eerste `echte' Ayler-muziek: een extreem heterofoon gespeelde mixture van oude jazz en moderne expressie die spotte met alle bebop-idealen. Zijn ontmoetingen met John Coltrane, versterkten zijn idee dat het niet om de nootjes ging maar om totaalklank en spiritualiteit. Bijna een jaar vóór Coltrane's religieuze statement A Love Supreme, speelde Ayler voor duiveluitdrijver in Witches and Devils en Holy Holy. ,,Trane was the Father, Pharoah was the Son. I was the Holy Ghost'', verklaarde hij in interviews nadat Coltrane hem had aanbevolen bij zijn chique platenlabel Impulse.

Nog voor dat contract tot iets had geleid, overleed John Coltrane in de zomer van '67. De muziek die Ayler bij diens begrafenis speelde is – zeer `low fi' – opgenomen in deze box. Omdat Impulse ook aan Ayler uiteraard iets wilde verdienen moest hij er maar snel aan wennen dat de kassa maar in één ding geloofde. Gezang van hemzelf en zijn ega Mary Maria, de beat van souldrummer `Pretty' Purdie en Canned Heat-basgitarist Henry Vestine, er werd van alles geprobeerd om Ayler aan een commerciële plaat te helpen. Het was alles echter vergeefs en in 1970 zette Impulse een punt achter het contract.

Ayler keert depressief terug naar Cleveland en van een optreden op een festival in Frankrijk verschijnen pas platen als hij al dood is. Dat er op zijn grafsteen in Cleveland `Vietnam' kwam te staan was waarschijnlijk gevolg van het feit dat de militaire begraafplaats in die stad die letters in voorraad had. De oorlog in Vietnam was nog in volle gang.

Albert Ayler diende niet in Vietnam, maar was toch een dappere soldaat. Van een vredesleger avant la lettre.

Albert Ayler: Holy Ghost - rare and unissued recordings (1962-'70) Revenant 213, zwarte kunststof box met negen cd's, waarvan twee met interviews, een gebonden boek van ruim 200 pagina's, plus foto's, programmafolders, een cd-single en gedroogde rozenblaadjes). Distr. Munich; richtprijs € 150.