Het leven is arm zonder geschiedenis

In deze Week van de Geschiedenis is het goed om te beseffen dat heden en verleden samenkomen in de toekomst, meent Jeroen Vanheste.

Het was half november en ik stond met mijn zoontje op de Nijmeegse Waalkade, waar elk moment de stoomboot uit Spanje kon komen binnenvaren. Boven het water hingen flarden mist, wat de spanning en het raadsel nog groter maakte. Toen eindelijk een groot schip opdoemde uit de nevels en onder luid gejuich de contouren van Sinterklaas en zijn dansende Pieten zichtbaar werden, maakte een gevoel van ontroering zich van me meester. Want zoals er vroeger met mij was gewacht op diezelfde goedheilig man, zo stonden wij daar nu, en zo zou mijn zoontje later op zijn beurt misschien ook staan wachten met zijn eigen kind.

Ik weende met een glimlach, zoals de moeder in Nijhoffs gedicht De Wolken. Het was een gevoel van continuïteit, van contact met de tijdstroom, zoals elke vader of moeder het direct zal herkennen. Het eerste rapport, de eerste zwemles, de vijfde verjaardag: ze zijn voor de ouder niet zozeer of niet alleen indrukwekkend op zichzelf, maar ook en vooral door de eigen herinnering aan diezelfde gebeurtenis, door het ermee gepaard gaande gevoel van continuïteit. Het is om die reden dat Stephens vader in Joyce's boek A Portrait of the Artist as a Young Man moet huilen als zijn zoon voor het eerst op kerstdag bij de grote mensen aan tafel mee mag eten en met zijn mooiste kleren aan de kamer binnenkomt.

Maar de relatie met de tijdstroom speelt niet alleen op een persoonlijk niveau en in persoonlijke ervaringen een rol. We maken ook deel uit van een stad, een land, een cultuur: van een verleden dat voortdurend om ons heen aanwezig is in de vorm van verhalen, rituelen en symbolen.

Vanaf ons huis in Nijmegen is het amper een kwartier lopen naar de Waal. Je verlaat de Wilhelminasingel, tijdens de Tweede Wereldoorlog korte tijd herdoopt in Friedrichstraße: want de Duitsers eerden liever Frederik de Grote dan de Hollandse vorstin. Wandelend door de negentiende-eeuwse schil, de stadsuitleg die aangelegd werd na het slopen van de oude stadsmuren, sla je bij het terrein van de oude paardenrenbaan linksaf naar de binnenstad. Via de Moenenstraat kom je in de Marikenstraat. Mariken reisde met Moenen, de duivel, naar Antwerpen. Na zeven wilde en zondige jaren zag ze haar fout in en keerde de duivel de rug toe. Als boetedoening moest ze van de paus ijzeren ringen om haar nek en armen dragen, tot het moment dat die er af zouden vallen. Na vele jaren van devoot kloosterleven maakte een engel de ringen los terwijl Mariken sliep: God had haar vergeven.

Halverwege dezelfde Marikenstraat staat tussen een paar oude bomen een ijzeren schommel, door een laag hekje omringd. De schommel is niet bedoeld om te spelen: het is een monument dat herinnert aan het vergissingsbombardement van 22 februari 1944, toen de Amerikanen Nijmegen voor een Duitse stad aanzagen, met 880 doden en een verwoeste binnenstad als gevolg. Op de plaats van de schommel stond een school waar 24 kleuters omkwamen. Naar beneden lopend in de richting van de rivier kom je langs een pleintje, de Kitty de Wijzeplaats, waar een oorlogsmonument staat ter herdenking aan Kitty en de andere slachtoffers van de holocaust.

Op een plakkaat staan de bekende en aangrijpende regels van Leo Vroman: ,,Kom vanavond met verhalen/hoe de oorlog is verdwenen,/en herhaal ze honderd malen:/alle malen zal ik wenen.'' Je bereikt nu de Waalkade en ziet in de verte de brug die in 1936 feestelijk werd geopend door Wilhelmina, de koningin in wier straat de wandeling begon. Een kwartiertje lopen: een korte wandeling waarin je straten, huizen en winkels ziet, of talloze verhalen, afhankelijk van hoe je kijkt.

Verhalen hebben naast hun inhoud ook een praktische, actieve kant, die gestalte krijgt in gewoonten, in rituelen en symbolen. En zoals onze persoonlijke en onze collectieve geschiedenis een gevoel van continuïteit kunnen geven, zo kunnen onze rituelen dat ook. Een grote troef van het geloof is daarom dat het eeuwenoude gewoonten kent, rituelen en tradities die hun waarde ontlenen aan het gevoel van vertrouwdheid en verbondenheid dat ze bieden: niet zozeer verbondenheid met God of de kerk als wel met de geschiedenis.

Ruim een jaar geleden overleed een vriend, volkomen onverwachts en nog zeer jong. Toen zijn kist in de kerk naar voren werd gedragen, over het pad in de middenbeuk, onder het koepelgewelf, tussen afbeeldingen van oude verhalen in glas-in-loodramen en in mozaïeken, en toen tijdens die gang naar het altaar de stilte in de enorme ruimte gevuld werd door Mozarts Laudate Dominum, toen waren we verpletterd door verdriet, maar ook getroffen door de voelbare troost van het gebouw en zijn symbolen, het volle gewicht van een traditie van tweeduizend jaar.

Is het nodig in God te geloven om in de rituelen te geloven? In de religieuze beleving van de Grieken en Romeinen was het geloof ondergeschikt aan het gezamenlijk uitgevoerde ritueel, dat de schoonheid, het houvast en de troost van de continuïteit bood. We geloven niet meer in de oude tempels, maar hebben in wat Burke het stof- en stuifzand van de individualiteit noemde nog niet eens de fundamenten van nieuwe aangelegd.

Ons privé-verleden, ons gezamenlijk verleden en onze tradities vormen tezamen ons historisch besef: het bewustzijn dat we hebben van het verleden. Wat ons privé-leven betreft zal iedereen het belang van dat bewustzijn wel erkennen. Wat zijn we immers zonder ons geheugen, zonder de verhalen van ons eigen leven? Oudere mensen die hun leven lang bij elkaar gebleven zijn, noemen vaak het gedeelde verleden, het ophalen van gemeenschappelijke herinneringen als een van hun grootste vreugden.

Maar waarin zit het belang van ons gezamenlijk verleden en onze gezamenlijke tradities? Welke argumenten zijn er bijvoorbeeld voor een geschiedenisonderwijs dat meer is dan het ongericht bijeen

googelen van gegevens op internet of voor initiatieven als het door sommigen bepleite `Huis der Historie'? Het kennen van de geschiedenis van eigen stad, land of cultuur heeft geen duidelijk praktisch of economisch nut. Het valt ook te betwijfelen of we veel leren van de geschiedenis: een mens leert tenslotte meestal ook niet zoveel van zijn eigen fouten.

Toch is er een antwoord: we kunnen de argumenten voor de waarde van historisch besef vinden in de analogie van het belang dat onze privé-geschiedenis heeft voor ons eigen leven. Een groter historisch besef maakt het leven niet efficiënter of meetbaar beter, maar wel rijker. Net zoals dat bij privé-ervaringen het geval is, kan een gevoel van continuïteit hier houvast of troost bieden, of een gevoel van waarde of zin, of simpelweg het plezierige besef van een groter bewustzijn en een grotere ontvankelijkheid.

Zonder de geschiedenis en haar verhalen, zonder geheugen en herinnering, is het leven maar arm en zijn we niet meer dan schapen uit de kudde waar Nietzsche voor waarschuwde: schapen zonder gedachten, voorbijgrazend, niet wetend wat gisteren, wat vandaag is, alleen maar vretend en dartelend. Kom vanavond met verhalen, spoorde Leo Vroman aan: maar wat als er straks niemand meer is die nog weet van Stephen, Mariken, Kitty of die 24 kleuters? Wie zal de tuimelgeesten en de handelaren in leuzen dan nog tegenspreken? Wie zal dan nog wenen?

In het Metropolitan museum in New York hangt een schitterend schilderij van Rembrandt. Op het doek zien we een in gedachten verdiepte Aristoteles die zijn hand op een buste van Homerus houdt. Om zijn nek draagt hij een gouden ketting met daarop een beeltenis van Alexander de Grote. ,,Time present and time past/Are both perhaps present in time future'', zo dichtte T.S. Eliot, die zijn as liet begraven bij de kerk van East Coker, het dorp in Somerset van waaruit zijn voorvader Andrew Eliot bijna 300 jaar eerder emigreerde naar Amerika. Laten we de opvatting van Rembrandt en Eliot over de waarde van historisch besef niet vergeten.

Jeroen Vanheste is cultuurhistoricus en publicist.