Doe wat uw hand te doen vindt

Lezen we echt om iets te leren? Je zou het haast gaan denken dezer dagen, nu iedereen ineens zo verwoed in de bijbel zit te bladeren vanwege de nieuwe vertaling, en je allerlei mensen hoort zeggen dat ze er `echt iets aan hebben'. Niet dat daar iets tegen is. Het is het mooiste wat er is, als je iets leest waar je echt iets aan hebt.

Toch zou je bij veel verhalen uit de bijbel niet zo heel precies weten wat je er aan hebt. Wat hebben we eraan dat Saul geen koning wilde worden, dat de regenboog het teken is van Gods verbond met de mensen, dat Ester koning Ahasveros de ogen opent voor de gemene Haman? Niet dat het geen mooie verhalen zijn. Ik las het verhaal van Noach opnieuw in de nieuwe vertaling – meeslepend. Het staat er nu soms, lijkt wel, extra onomwonden. ,,De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Hij kreeg er spijt van dat hij de mensen had gemaakt (...).'' In de prachtige psalmen van de dichter Lloyd Haft staat dat ook ergens, maar dan als vaag: ,,Heeft u spijt van mij?'' Dan voel je het wel ineens. Dat je totaal tegen zou kunnen vallen, dat je vermoedelijk tegenvalt, aldoor. Maar wie val je tegen?

God?

Ik zou eerlijk gezegd niet weten wat ik daar, zó gezegd, mee zou kunnen bedoelen. De god uit de eerste boeken van het Oude Testament lijkt toch het meeste op zo'n soort god als Zeus: voortdurend met die mensen bezig. Zelf ook bijna een soort mens. Het zijn de aanhangers van die god die voortdurend weten wat wij moeten doen: lief zijn voor elkaar, niet om geld en aardse goederen geven, niet toegeven aan het lichaam en zijn genoegens of juist de zelf aangewezen vijanden van deze god tot de laatste man uitroeien. Wat overigens niet, zoals je nu wel vaak hoort beweren, iets is dat door de hele Hebreeuwse bijbel gepropageerd wordt Job zegt te zijner verdediging bijvoorbeeld: ,,Verheugde ik mij over de ondergang van mijn vijand,/ juichte ik wanneer hij door het kwaad getroffen werd?'' Het is een retorische vraag, maar hij beantwoordt hem zelf toch maar voor de zekerheid: ,,Nooit heb ik mijn mond laten zondigen/ door met een vloek zijn leven te verlangen.'' Wonderlijk eigenlijk dat dat in de psalmen dan weer zo moeiteloos gaat, het leven verlangen van de vijanden. Daar hoor je regelmatig dat de vijand op zijn kinnebak geslagen moet worden die `kinnebak' is er nu natuurlijk niet meer. Nu staat er: ,,sla mijn vijanden in het gezicht,/ breek de tanden van de wettelozen.'' Dat liegt er toch ook niet om. En dat is nog zachtzinnig, vergeleken bij wat in sommige psalmen over de vijanden afgeroepen wordt.

Overigens teksten waar je soms van harte mee in kunt stemmen. Als ik denk aan die kerels in Irak die mensen ontvoeren, vernederen en onthoofden, kost het me geen enkele moeite om te herhalen: ,,Laat hen boeten, God,/ laat hen in hun eigen valkuil lopen.''

En daarmee zijn we dan weer terug bij het probleem, want ik geloof helemaal niet in een god die zulke dingen doet. Er is geen god die iets wil en vindt. (,,God droomt ervan dat wij...'' hoorde ik laatst een pastor zeggen. Bwggh. Meteen weer de kerk uitgerend.)

Onlangs las ik twee keer een stuk van predikanten die er ook zo over denken. De ene was Matthias Smalbrugge die in Trouw schreef dat God geen roze teddybeer is, en zijn afschuw liet blijken van ,,het gemoraliseer dat kerken tegenwoordig als geloof aanbieden''. Hij pleitte voor een amorele kijk op de raadselachtige verhalen die ons aangeboden worden, op behoud van het raadsel in plaats van een ijverig zoeken naar lievige, alles toedekkende antwoorden.

In het andere stuk, ook in Trouw, hield predikant Jean-Jacques Suurmond vol dat God eerder te vergelijken is met een stuk graniet, waar geen enkel antwoord uitkomt, waarop onze vragen en gebeden afketsen, dan met ,,een kosmisch heerschap''. Hij wees erop dat het juist ook bij de christelijke traditie hoort om God als een ,,onpersoonlijk mysterie'' op te vatten, iets waarover niet anders gesproken kan worden dan in tegenstellingen.

Goed zo. Nu praten we!

Ook Suurmond verwijt de kerk dat ze maar door blijft gaan met die lieve, brave god op te voeren die altijd aan onze kant staat (en die dus de vijanden best een beetje zou willen vernietigen).

Beide predikanten zien wel een rol voor de kerk weggelegd, maar beslist niet de rol van zedenprediker. En het is ook raar, dat in een tijd waarin de halve wereld op zoek is naar `iets' – zingeving, verbeelding, rituelen – de kerk, die toch bij uitstek in staat zou moeten zijn die mensen iets te bieden, met lege handen staat. Dat daar nog steeds wordt geëmmerd over ,,God droomt ervan dat wij...''. Waarom niet al die betekenisvolle rituelen uitvoeren, de verhalen vertellen, ze nauwkeurig lezen zonder er meteen zoiets zoets aan te verbinden? Niet dat het niet goed zou zijn als we probeerden de ander bij te staan, onze vijanden lief te hebben enz. maar daar hoeft God niet de hele tijd achter te zitten. Misschien gaat het meer om zingeving dan om moraal. En misschien moet ook die verlossing iets anders worden opgevat.

Het is soms een bijna ondoenlijk grote stap om van de bijbel te komen tot de kerkelijke praktijk. Zoals het soms ook, eerlijk gezegd, heel ver weg is van de bijbel naar je eigen overtuigingen. Maar soms gelukkig ook niet. Wie Prediker leest, die evenmin als iemand anders in het Oude Testament over verlossing spreekt, vindt wel aanbevelingen, maar die zijn van de soort: leef goed, maak er wat van, ,,doe wat uw hand te doen vindt''. Aanbevelingen die aansluiten op de veel gehoorde uitroep in de bijbel dat er in het dodenrijk niemand is om God te loven: het moet hier en nu gebeuren. In het besef van iets eeuwigs en onvergankelijks, dat wel.

Zulke aanbevelingen hebben trouwens niets speciaal met christendom te maken. Ik deed de zojuist verschenen vertaling van Seneca's brieven aan Lucillus open (Leren sterven heet het) en las daar: ,,pak ieder uur''. Besteed je tijd goed, leef bij de dag: ,,Als je goed kijkt, verstrijkt een groot deel van het leven met verkeerde dingen doen, het grootste deel met nietsdoen en het hele leven met `iets anders' doen.'' Dat soort aanwijzingen. Als die goed gesteld zijn want zonder harde, en mooie, vorm is geen enkele aanwijzing het onthouden waard – dan, ja, dan heb je er echt iets aan. Aan de bijbel. Aan Seneca. Aan lezen. En aan je leven.