De strijd tegen de Amerikaanse kiezer

Het is een schandaal dat wij Amerikanen een fundamentele daad van burgerschap hebben gemaakt tot een ingewikkelde, omstreden, technisch onvolmaakte, ondoorzichtige en verontrustende handeling, meent E.J. Dionne jr.

Aan de vooravond van een verkiezing in een groot land dat aan de rest van de wereld het begrip democratie probeert te verkopen, is het een schandaal dat zoveel Amerikanen zich afvragen of de uitkomst zal worden beslist door rechters en advocaten – en niet door de kiezers. Het is een schandaal dat de ene partij de andere ervan verdenkt in naam van fraudebestrijding de opkomst te willen drukken. Het is een schandaal dat al dit gepraat over een betwiste verkiezing misschien een aantal kiezers ontmoedigt om te gaan stemmen. Het is een schandaal dat wij een fundamentele daad van burgerschap tot een ingewikkelde, omstreden, technisch onvolmaakte, ondoorzichtige en verontrustende handeling hebben gemaakt.

Stemmen hoort simpel te zijn. Stemmen moet niet iets als een Cito-toets worden. Het tellen van de stemmen moet geen hogere wetenschap worden. In eigen land moet ons doel hetzelfde zijn als in beginnende democratieën: een verhoging van de deelname. Bezorgdheid over mogelijke fraude mag geen excuus zijn om barrières op te werpen tegen kiezers die op grond van de wet mogen stemmen. Amerikanen van alle politieke kleuren, ongeacht hun partij of ideologie, horen vertrouwen in de uitkomst te kunnen hebben.

Het is leuk en aardig om onze narigheid de advocaten te verwijten, maar hun schuld is het niet. Het leger juristen dat rondzwermt bij de stemlokalen is een symptoom van het probleem, niet de oorzaak. Ons politieke stelsel maakt een revolutie door. We gaan van een tijdperk met een gematigd partijgevoel en vrij lage opkomsten over naar een tijd van grote betrokkenheid die vermoedelijk tot hogere opkomsten van kiezers zal leiden. Onze electorale structuur is gebouwd op een niet al te heftige strijd, niet op een totale hightech-oorlog. We hebben een stelsel nodig dat kiezers niet het gevoel geeft dat ze moeten uitkijken voor dagvaardingen. Wij hebben altijd wel verkiezingsproblemen gehad, maar in 2000 zijn we onze onschuld kwijtgeraakt.

Om te begrijpen waar we zijn, moeten we begrijpen hoe we hier gekomen zijn. Het Amerikaanse kiesstelsel heeft de afgelopen eeuw twee grote veranderingen ondergaan, waarvan de ene wel en de andere niet democratiserend was.

De democratiserende verandering was om het kiesrecht open te stellen voor eerder uitgesloten groepen, met name vrouwen en zwarten. Amerikaanse vrouwen kregen het 19de Amendement in 1920 het kiesrecht, voor de Afrikaanse Amerikanen zou het duren tot de Voting Rights Act van 1965.

Maar we vergeten ook de tweede grote verandering: beperkende registratieregels. Ongeveer een eeuw geleden begonnen veel staten met de ontwikkeling van kieswetten gericht op een beperking van de deelname van de minst machtige en minst geletterde leden van de maatschappij, met name de zwarten in het zuiden. Michael McGerr, historicus aan de Universiteit van Indiana, merkt op dat het Amerikaanse stelsel in de jaren na de Burgeroorlog, voordat deze beperkingen van kracht werden, opmerkelijk open was – mits je maar een man was. ,,Er was geen omslachtig registratiesysteem'', zegt McGerr, een aanhanger van de theorie dat we nu weer een politieke revolutie doormaken.

Vaak hoefde je je niet eens te registreren. Je kwam op de verkiezingsdag gewoon je stem uitbrengen. In sommige districten mochten volgens McGerr zelfs de immigranten die toen in drommen naar Amerika kwamen hun stem uitbrengen, zolang ze maar hun voornemen uitspraken om staatsburger te worden. ,,Het systeem was bereid een zekere corruptie te riskeren om ervoor te zorgen dat iedereen met stemrecht ook echt stemde'', zegt McGerr. ,,De laatste 100 jaar hebben we een andere afweging gemaakt. Ter bescherming tegen mogelijke corruptie hebben we het voor de minder opgeleiden en minder bedeelden te moeilijk gemaakt om te stemmen.''

Dat is het hele debat in een notendop. Op de verkiezingsavond zult u variaties hierop horen als de strijd gelijk op gaat. De eerste zorg van de Democraten is het aantal kiezers uit te breiden – vooral in de binnensteden. De Republikeinen maken zich meer zorgen over kiezersfraude, vooral in deze van oudsher Democratische bolwerken.

En zo kan het gebeuren dat een hoge Republikeinse ambtenaar in Ohio van plaatselijke functionarissen eist dat aanvragen voor registratie volgens voorschrift worden ingediend op 130-grams papier (later werd hij wat soepeler). Wij zitten met aantijgingen en processen over de geldigheid van tienduizenden nieuwe registraties in Florida, Michigan, Ohio en andere cruciale staten. De Republikeinen betwisten de rechten van studenten die staan ingeschreven in de plaats waar zij studeren, er wordt geknokt over het lot van provisorische stemmen en er wordt gedebatteerd over het opschonen van de kiezerslijsten.

En dat is allemaal nog vóór de dag van de verkiezingen.

De Democraten bespeuren een bepaalde strategie in de bezorgdheid van de Republikeinen over fraude in stedelijke agglomeraties. Dan Trevas, hoofd communicatie van de Democratische Partij in Ohio, zegt dat het erom te doen is ,,het systeem trager te maken, zodat de mensen weer in de rij op hun horloge gaan staan kijken en zich afvragen `Heb ik hier wel tijd voor?'''

Je zou toch hopen dat een president die tegenover het buitenland allereerst de pretentie heeft de wereld te willen democratiseren, zich wel twee keer bedenkt alvorens zich met dat soort trucs in te laten om te worden herkozen. De Republikeinen houden vol dat fraudebestrijding – en niet kiezersbestrijding – hun doel is. Geslepen conservatieven werken al aan de intellectuele grondslag voor dat soort redeneringen. Nu de spanningen tussen de partijen zo hoog oplopen mag het niet gebeuren dat sprake is van wantrouwen doordat een van de partijen kennelijk het verkiezingsmechanisme in een bepaalde staat of streek in haar greep heeft.

Het was in 2000 een schandaal dat de hoogste verkiezingsfunctionaris in Florida een uitgesproken Republikein was – gekozen door een Republikeinse gouverneur wiens broer één van de kandidaten was –, en dat al haar cruciale beslissingen gunstig waren voor haar partij. Dat heeft bij niet-Republikeinen niet bepaald vertrouwen gewekt. Dezelfde kritiek zou gelden voor een Democratische functionaris in een vergelijkbare situatie.

De organisatie van verkiezingen is aan opleidingen voor het openbaar bestuur geen sexy onderwerp. Daarmee wil ik niets onaardigs zeggen over de hardwerkende verkiezingsfunctionarissen overal in het land. Integendeel, ik heb grote waardering voor hen – een oom van mij, die lang ambtenaar bij het stadsbestuur is geweest, vond nauwkeurige uitslagen vreselijk belangrijk. Een aantal plaatselijke verkiezingsfunctionarissen heeft jarenlang geprobeerd het proces te verbeteren. Maar laten we eerlijk zijn: behalve in plaatsen waar de lokale politieke machinerie er zeker van wilde zijn dat de stemmen `goed' geteld werden, heeft voor stads-, provincie- of staatsbestuurders – of voor hun belastingbetalers – de organisatie van de verkiezingen nooit hoge prioriteit gehad.

Alles in handen geven van vaklui en in het hele land dezelfde regels invoeren is voor een democratie niet altijd de beste aanpak. Maar gezien de vijandigheid tussen de partijen die wij nu meemaken denk ik dat alle alternatieven nog slechter zijn, en wij hebben gezien waarom. Wat kan gedaan worden om te voorkomen dat de verkiezingen een puinhoop worden? Dat zijn eigenlijk twee vragen: een voor de korte termijn en een voor de lange.

Dit jaar kunnen wij het schrikbeeld van Bush tegen Gore onmogelijk vergeten. Daarom vrezen de Democraten met grote vreze dat de Republikeinen de verkiezingen maar al te graag zien eindigen voor het Hooggerechtshof, met het idee dat Bush daar dezelfde meerderheid zal krijgen als de vorige keer. Noem het paranoia. Anderen zullen het misschien realisme noemen. Maar de angst voor een herhaling is een van de redenen waarom zo veel juristen de komende drie dagen – en misschien wel weken – weinig slaap zullen krijgen. Bid dat het Hooggerechtshof niet weer de kans krijgt om de verkiezingen te beslissen.

Grootscheepse twijfel aan de legitimiteit van kiezers zal ook de legitimiteit van deze verkiezingen in gevaar brengen en in de hele wereld twijfel zaaien over onze democratie. Als na het fiasco van 2000 de verkiezingsuitslag opnieuw omstreden is, zal de winnaar het moeilijk kunnen krijgen om in eigen land te regeren en in het buitenland leiding te geven. Echte fraude moet uiteraard aan de grote klok worden gehangen en worden voorkomen. Maar vrees voor fraude mag nooit een voorwendsel zijn om wettig geregistreerde kiezers hun stem te ontnemen of hen aan te moedigen om de zaak de rug toe te keren.

Voor de lange termijn moeten op federaal niveau nieuwe, uniforme regels worden ingevoerd. Het gaat om de verkiezing van een president voor het hele land, niet van het hoofd financiën van een staat. Het systeem is niet sterker dan zijn zwakste schakel. Een paar staten met een uitgesproken ondeugdelijke organisatie kunnen de rest van het land in de houdgreep nemen. Er moeten niet alleen regels komen voor provisorische stemmen en voor identificatie, maar ook voor registratie, schriftelijke stemmen (inclusief stemmen uit het buitenland en van militairen), stemmachines en het opschonen van de kiezerslijsten.

De verbreiding van elektronische stemsystemen waarvan de uitkomsten niet meer op papier verifieerbaar zijn ondermijnt het vertrouwen van het publiek. De stemapparatuur moet – zowel in arme als in rijke gebieden – de kans op fouten zo klein mogelijk maken. En wat het opschonen van de lijsten betreft zouden uniforme regels beide partijen even welkom moeten zijn: de Republikeinen, die zich zorgen maken over niet-kiesgerechtigden en doden, en de Democraten, die vrezen dat legitieme kiezers, met name Afrikaanse Amerikanen, al te gemakkelijk uit de boeken worden geschrapt.

Ook moeten de openingstijden van de stembureaus aansluiten bij de manier waarop wij leven en werken. De meesten van ons zijn geen boer meer, en veel boeren hebben twee banen. Het is dwaas dat in de meeste staten de verkiezingsbureaus vooral tijdens kantooruren geopend zijn. Wij zouden ofwel in het weekeinde moeten stemmen, zoals in sommige Europese landen gebruikelijk is, of de bureaus een heel etmaal moeten openstellen.

En dan de grote kwestie: weg met dat kiescollege. Laat de president rechtstreeks door de bevolking kiezen. Dat zou een hoop problemen oplossen. Alle stemmen zouden even zwaar wegen, of ze nu worden uitgebracht in het Republikeinse Utah of in het Democratische Rhode Island. Het zou de kandidaten stimuleren om ook campagne te voeren buiten de zogeheten `battleground states', de omstreden staten. Overal zouden de kiezers even gemotiveerd zijn om hun stem uit te brengen. Om hun invloed te vergroten zouden de staten er belang bij hebben zoveel mogelijk kiezers naar de stembus te lokken.

Zeker, als de stemmen bijna staken kan het gebeuren dat het hele land opnieuw moet worden geteld. Maar hoe vaak komt dat voor? In maar één verkiezing in de afgelopen eeuw, die van 1960, was er minder dan een half miljoen stemmen verschil. (Zelfs in 2000 behaalde Al Gore 540.000 stemmen meer dan George Bush). Als de Fransen het klaarspelen om hun president rechtstreeks te kiezen, dan moeten wij dat toch ook kunnen?

Niet dat dat spoedig zal gebeuren. Maar het is absoluut noodzakelijk dat wij ons verkiezingsstelsel op orde brengen. Wij vragen onze mannen en vrouwen in uniform hun leven te geven om andere landen vrije, eerlijke verkiezingen te bezorgen. Dan kunnen wij toch wel iets meer doen om te zorgen dat ons eigen kiesstelsel voorbeeldig wordt, en niet de risee van de wereld.

E.J. Dionne jr. is columnist. © The Washington Post Writers Group