`Wilt u slapen of liever springen?'

De golf van zelfmoorden, de crash die moeiteloos overging in de grote depressie. De krach van 1929 baarde mythes die inmiddels zijn doorgeprikt.

Reikhalzend drommen de mensen samen. Kijk. Een man. In een raam. Op Wall Street. Een verkoper van dubieuze beleggingsfondsen die door de meedogenloze koersdalingen is geruïneerd? Een bankier die zijn laatste spaargeld heeft vergokt?

Gaat hij springen?

Het is 24 oktober 1929, een donderdag. Buiten wacht het publiek, binnen heerst de beurspaniek. Black Thursday. De handel is ongekend druk, koersen kelderen. Geruchten over de gedwongen sluiting van andere beurzen spoelen over de beursvloer en wakkeren de paniekstemming aan.

Om 12 uur 's middags begint een vergadering op het kantoor van JP Morgan, het bankiershuis dat als spin in het Amerikaanse financiële web zit. Iedereen die iemand is op Wall Street schuift aan. Zij besluiten hun financiële krachten te bundelen en de markt te steunen.

Een van de bekendste handelaren, Richard Whitney, waadt door bergen verkooporders op de vloer en geeft kooporders bij vijftien tot twintig handelsposten, waar de transacties in specifieke aandelen worden gedaan. Koersen herstellen. Opluchting.

De man in het raam springt niet.

Hij is een bouwvakker die een reparatie komt uitvoeren.

De volgende dagen blijkt de koerssteun een zeepbel. Op maandag gaat het weer mis, op dinsdag 29 oktober komt de genadeklap. Black Tuesday, de koersen dalen 12 procent, klerken op de beursvloer zijn tot na middernacht bezig om alle transacties te verwerken.

Achteraf werd alles wel duidelijk, al blijven de historici op punten van mening verschillen. De koersstijgingen waren onhoudbaar, hadden geen relatie meer met de echte economie. Koersen werden aangevuurd door financiële speculatie. De lancering van steeds weer nieuwe beleggingsfondsen, die deels geld in elkaar belegden, joeg de beurs verder op.

De koerswinsten voedden weer het idee van het volkskapitalisme, dat zijn weg vond naar nog weer nieuwe beleggingsfondsen. Gebruik van voorkennis bij directeuren en commissarissen om nog wat extra winst mee te pakken was heel gewoon, en niet strafbaar. Er was falend toezicht op de beurshandel en een tekortschietende informatieplicht van ondernemingen en beleggingsfondsen tegenover hun aandeelhouders.

De krach baarde talloze mythes. Zoals de golf van zelfmoorden. Humor in die tijd: hotelreceptionist tegen gast: ,,Is de kamer om te slapen of om uit te springen?''

In de The Great Crash 1929, zoals econoom en succesboeken-auteur John Kenneth Galbraith zijn standaardwerk over de krach doopte, werd menig `feit' uit de overlevering doorgeprikt. Galbraith onderzocht. De zelfmoorden waren er, maar niet meer dan gebruikelijk. Meer mensen beroofden zich van het leven tijdens de oplopende koersen dan daarna.

Andere mythe: de crash ging moeiteloos over in de grote depressie van de jaren dertig en was, op een of andere manier, ook de oorzaak daarvan. ,,De depressie was het laatste hoofdstuk van de ineenstorting van de economische orde'', schrijft Nobelprijswinnaar Paul Samuelson in de Concise Encyclopedia of Economics.

[vervolg THE GREAT CRASH: pagina 23]

THE GREAT CRASH

Radio-aandelen toen, internet-fondsen nu

[vervolg van pagina 21]

,,De ineenstorting begon met de Eerste Wereldoorlog'', schrijft Paul Samuelson, ,,en eindigde met het failliet van de gouden standaard.''

In die jaren liep het economisch tij van eb en vloed in de westerse wereld in het geheel niet synchroon. De Britse economie zat in de jaren twintig bijvoorbeeld in een diepe malaise, met de Great Strike van de vakbonden in 1926 als blikvanger.

In de Verenigde Staten was het daarentegen hosanna, de Roaring Twenties, met de doorbraak van nieuwe technologie, zoals radio. Aandelen van de radiofabrikanten waren de internetaandelen van toen. Maar de ondergrond van de economie was zompig te noemen. Landbouw was de `banenmotor', waar bijna een kwart van de bevolking werk had, maar de grondstoffenprijzen begonnen te dalen. De bankwereld was gefragmenteerd en krakkemikkig. Terwijl de koersen nog stegen, gingen steeds meer banken over de kop. Spaarders waren hun geld kwijt.

De dalende grondstoffenprijzen nekten de wereldhandel, het gebrek aan zekerheid onder consumenten over spaargeld en de vertrouwensbreuk na de koersval reduceerden de consumptie.

Steeds meer landen probeerden hun nationale munt te beschermen met renteverhogingen en steeds hogere importtarieven om te voorkomen dat goud naar het buitenland zou verdwijnen. Gevolg: minder bedrijvigheid, minder handel.

De daling van het algemene prijsniveau, dat werd veroorzaakt door de agrarische prijsval, infecteerde de economie met een gevaarlijk virus. Banken hadden leningen verschaft aan bedrijven en particulieren, terwijl de onderpanden die terugbetaling moesten garanderen steeds verder in waarde daalden. Nog meer banken bankroet.

Het Amerikaanse stelsel van centrale banken, dat de geldkraan verder had kunnen opendraaien om het naderende financiële armageddon te voorkomen, bleek niet tegen de rampspoed opgewassen.

Begin 1993 begon de run van spaarders op de banken: spaargeld werd massaal van de bank gehaald. Op 4 maart 1933, toen Franklin Roosevelt officieel als president werd ingezworen, werden ook de banken in de laatste grote staten, New York en Illinois, op last van de lokale gouverneurs gesloten. De nieuwe president verlengde vervolgens deze bank holidays met vier werkdagen om tijd te winnen voor een reddingsoperatie.

Hij ontketende een ongekende hoeveelheid nieuwe wetgeving – om de bankencrisis te beteugelen, om Wall Street te hervormen, om staatssteun aan boeren te geven om hun land braak te laten liggen. Het Congres opende hoorzittingen naar de achtergronden van de beurskrach en trof een fraaie collectie misstanden, die wedijveren met de boekhoudschandalen en de zelfverrijking van zakenlui die de afgelopen jaren aan het licht kwamen. Enron, Worldcom, Hollinger.

Twee jaar geleden trof de Amerikaanse zakenkrant The Wall Street Journal de toen 91-jarige oud-hoogleraar Charles Kindleberger, auteur van het standaardwerk Manias, Panics and Crashes: A History of Financial Crises. Hij bekende een gevoel van Schadenfreude.

In zijn laatste editie (1996) van Manias had hij de lezer gewaarschuwd voor de overeenkomsten tussen de jaren twintig en de mediabedrijven en internethype. Onlangs had hij de econoom Galbraith, toen 94 jaar, opgezocht. Twee oude mannen en de dingen die maar niet voorbij willen gaan. Waar zullen we het over hebben? vroeg Kindleberger. Galbraith: ,,Enron! Enron!''