Wat iedereen móet wetenvan de vaderlandse geschiedenis

Vandaag begint de eerste Week van de Geschiedenis, met honderden evenementen. Op 11 november kiezen tv-kijkers de `grootste Nederlander aller tijden'. De Boekenweek in maart volgend jaar heeft als thema de Nederlandse geschiedenis. Het vaderlands verleden is populair. Maar: welk verleden? Wie kent nog de feiten, wie heeft nog overzicht? Ruim tweeduizend jaar geschiedenis samengevat in vierduizend woorden, in tien tijdvakken.

Iedere tijd ontwerpt een eigen versie van het verleden. Vroeger gebeurde dat bij het kampvuur. Later werd dat op scholen meeslepend verteld. Nu zou televisie hét medium zijn. Alleen, dat is het niet. Daar schijnt de gedachte te heersen dat geschiedenis eigenlijk te saai is om een aardig publiek te trekken. Daarom krijgt het de vorm van een gezelschapsspelletje, zoals de verkiezing van `de grootste Nederlander aller tijden'.

Het is de vraag op grond van welke kennis de kijkers straks deze historische `idol' kiezen. Gezien de verbrokkeling van het geschiedenisonderwijs kan het hier moeilijk om veel meer gaan dan bliksemschichten in het donker.

Dat er weinig belangstelling zou zijn voor serieuze geschiedenis is een merkwaardig vooroordeel in `Hilversum', dat ook heerst in `Den Haag' . Alleen al de opmerkelijk hoge oplagen van een auteur als Geert Mak zouden op het tegendeel kunnen wijzen.

Weinig behulpzaam zijn pleidooien van al diegenen die, bezield van de nobelste gedachten, beweren dat er geen historisch besef meer bestaat. Daarbij blijken zij meestal te bedoelen dat niemand meer een proefwerk kan maken dat sommigen van ons nog wel kennen van de middelbare school (althans: van vóór de Mammoetwet): `wie deed wat, wanneer en waarom?' Met hoon duikt telkens weer het beruchte proefwerk van het Historisch Nieuwsblad op, waarin Kamerleden op dit soort vragen een dikke onvoldoende scoorden. Een herhaling onlangs onder `gewone mensen' leverde een nog droeviger beeld op.

Naast onwil heerst ook onzekerheid: welk verhaal valt hier te vertellen? De schuchterheid over het historisch verhaal is vooral een gevolg van veranderingen in de samenleving. Nederland is `ontzuild'. Kerken en politieke bewegingen hebben aan overtuigingskracht ingeboet. Bijpassende rituelen zijn vervaagd. Niet langer zijn wijze lessen en aansporingen te ontlenen aan de geschiedenis. Historische kennis is verschraald tot eruditie.

Als we weer historisch besef willen kweken, dan gaat het niet zozeer om de weetjes: de jaartallen van rampen en vorsten, al is daar op zichzelf niets mis mee. Het gaat om de gedachte dat het heden niet goed te begrijpen valt zonder enig inzicht in de ontwikkeling tot dat heden.

Tegen deze ambitie klinken doorgaans twee bezwaren. Het eerste is dat dit zou voortvloeien uit nostalgie. Oude schoolmeesters zouden een achterhaald verlangen koesteren naar de overzichtelijkheid van de `nationalistische en etnocentrische geschiedschrijving van onze blanke voorvaderen'. Dit klinkt al erg genoeg, maar gewoonlijk volgt dan nog dat we nu eenmaal in een `postmoderne wereld' leven. De fragmentatie van mens en samenleving is niet langer in een consistent verhaal te vatten. `Laat duizend bloemen bloeien' en het komt vanzelf wel goed.

Het tweede bezwaar is dat historisch besef op zichzelf, als een manier om naar de werkelijkheid te kijken, een tijdelijk verschijnsel is. Het is aan het eind van de achttiende eeuw opgekomen, beleefde zijn bloeitijd in de negentiende eeuw en zal nu ten onder gaan. We leven in een `posthistorische wereld' en belangstelling voor geschiedenis is op z'n best een oudemannenkwaal.

En zo mogen we kiezen uit tuchteloosheid of vruchteloosheid. Het gevolg van deze verwarring is de opmerkelijke dictatuur van het nu en hier, het zogenaamde presentisme. Bijna tien jaar geleden merkte Rudy Kousbroek al eens op dat in Nederland, in tegenstelling tot allerlei andere landen, vooral de gedachte leeft dat weinig uit het verleden nog interessant of waardevol kan zijn: ,,Dat is wat in dit land dat eigenaardige gevoel geeft dat er een dimensie ontbreekt.'' In het openbare debat is de continuïteit met het verleden nagenoeg afwezig.

Een dergelijke continuïteit wordt doorgaans gevonden in een canon: een geheel aan kennis en inzichten, aan ordening en interpretatie van het verleden. Daaraan dienen we meteen toe te voegen dat een dergelijk geheel niet onveranderlijk is. Integendeel, een canon mag en kan niet worden gecanoniseerd. Essentieel is juist dat deze voortdurend onderwerp is van reflectie. Wie en wat verdienen een plek in de canon en waarom? De canon nodigt uit tot kritiek, tot aanvulling en in ieder geval tot gebruik.

We hebben geprobeerd een beknopte canon te formuleren voor de `Nederlandse' geschiedenis. Bij de samenstelling hebben drie criteria een rol gespeeld. Hoe heeft het huidige Nederland zich gevormd? Welk politiek-bestuurlijk systeem was in dit gebied overheersend? Welke ontwikkelingen hebben de Nederlandse samenleving sterk beïnvloed?

Aan deze proeve van een canon zouden we een motto willen meegeven dat aan Willem van Oranje is toegeschreven: `Hoop is niet vereist om ergens aan te beginnen, succes niet nodig om te volharden.'

Dr. J.Th.M. Bank is hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Dr. P. de Rooy is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

De indeling in tien tijdvakken is, met een enkele kleine wijziging, overgenomen uit het Advies van de Commissie Historische en Maatschappelijke vorming (voorjaar 2001).

Wilt u reageren? Heeft u iets toe te voegen aan c.q. af te dingen op deze canon?

E-mail: canon Redactie Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam.

Canon op internet

Deze `canon' is op A4-formaat (in pdf) te downloaden via de website van NRC Handelsblad (www.nrc.nl), waardoor deze eenvoudig is te reproduceren voor gebruik in het onderwijs. Op de website www.anno.nl is de canon verrijkt met illustraties en andere `tijdsbeelden'.

Debat in Delft

Komende dinsdag 2 november in Delft: een debat over de `canon van het Nederlands verleden'. Met: Jan Bank, Geert Mak, Nelleke Noordervliet en Piet de Rooy.

In: Het Prinsenhof in Delft (Sint Agathaplein 1), de plek waar Willem van Oranje is vermoord in 1584. Aanvang 20.00 uur, toegang gratis. Aanmelden via canon@anno.nl. Deze avond wordt georganiseerd door NRC Handelsblad en het historisch nieuwscentrum Anno.