Studenten vrezen concurrentie `op basis van de voorgevel'

Staatssecretaris Rutte stelt de student centraal in zijn plannen voor een andere financiering van het hoger onderwijs. Erg enthousiast zijn die studenten niet.

Je zou denken dat ze stonden te juichen, de studenten aan hogescholen en universiteiten. Dat ze Mark Rutte, VVD-staatssecretaris met hoger onderwijs in de portefeuille, op het schild zouden hijsen en door de collegezalen zouden tronen. De plannen van Rutte lijken op het eerste gezicht imemrs een zegen voor studenten. Hun belang staat voorop bij de radicale herziening van de financiering van het hoger onderwijs die gisteren in de ministerraad werd besproken.

Kern van het nieuwe stelsel is vraagsturing: de klant is koning. De hedendaagse consument van hoger onderwijs is volgens Rutte een veeleisende student die zelf zijn studie wil samenstellen. Het onderwijsaanbod moet beter inspelen op de individuele behoeften van studenten met zeer uiteenlopende wensen.

Dus wordt de bekostiging van de hogescholen en universiteiten omgegooid. In het huidige stelsel is de rijksbijdrage gebaseerd op het aantal eerstejaars dat zich bij een onderwijsinstelling inschrijft, en in tweede instantie op het aantal studenten dat van die instelling een diploma ontvangt. Zodra een student binnen is krijgt de instelling geld, ook al stopt die student na een paar jaar met de studie of stapt hij over naar een andere instelling.

In het nieuwe stelsel is de financiering gebaseerd op de daadwerkelijke aanwezigheid van studenten. Per jaar wordt gekeken naar het aantal inschrijvingen. Als een student overstapt naar een andere instelling, gaat het geld mee. Om te voorkomen dat hogescholen en universiteiten zich helemaal niet meer bekommeren om studenten die hun studie voltooien, is er nog wel een diplomabonus ingebouwd. Het belang daarvan wordt echter aanzienlijk minder. Nu is 40 procent van de rijksbijdrage voor universiteiten gebaseerd op het diploma, dat wordt 15 procent. Het aandeel van de inschrijving gaat juist van 10 procent van de rijksbijdrage nu, naar 60 procent straks.

Instellingen moeten dus met elkaar concurreren om studenten aan zich te binden. Alleen op die manier kunnen ze aanspraak maken op het studietegoed dat studenten kunnen besteden. In de woorden van Rutte: ,,Veel kan verbeteren als studenten mondiger worden, hun best doen de beste opleiding te kiezen en overstappen naar een betere opleiding wanneer ze slecht onderwijs krijgen.''

Dit alles plaatst de student op het eerste gezicht in een uiterst comfortabele positie. Maximale keuzevrijheid, instellingen die hun uiterste best doen om goed onderwijs te bieden.

Toch staan de studenten niet te juichen. Integendeel. In hun eerste reacties hebben de twee landelijke studentenorganisaties meer oog voor de beperkingen dan voor de mogelijkheden van de kabinetsplannen. De Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) zijn vooral fel gekant tegen de verhoging van het collegegeld die in de plannen zijn ingebouwd. Rutte wil studenten prikkelen om sneller te studeren door instellingen na vijfeneenhalf jaar studie (zeseneenhalf bij tweejarige masters) zelf de hoogte van het collegegeld te laten bepalen. Het wettelijke collegegeld bedraagt bijna 1.500 euro, instellingen zullen zelf een veelvoud daarvan vragen. De LSVb vreest dat veel studenten zonder diploma zullen afhaken. En het ISO denkt dat veel studenten zullen afzien van een masteropleiding.

Maar ook de plannen zelf stuiten bij de studentenbonden op scepsis. LSVb-voorzitter Kim Toering: ,,Het nieuwe systeem zal leiden tot concurrentie op basis van de voorgevel, niet op inhoud. We zien liever dat instellingen investeren in de kwaliteit van het onderwijs dan in reclamebrochures. Wij denken dat die consumentgerichte benadering van onderwijs de kwaliteit helemaal niet ten goede komt.'' De door Rutte aangeprezen keuzevrijheid is ook betrekkelijk, volgens Toering. ,,De bachelor-masterstructuur biedt al veel keuzevrijheid, daar is geen nieuw bekostigingsstelsel voor nodig. Bovendien is de gemiddelde student niet erg happig om van instelling te switchen. Als je eindelijk een kamer hebt gevonden en vrienden in een stad hebt, ga je niet na een jaar weer ergens anders heen.''

Aan de andere kant, bij de onderwijsinstellingen, zijn de meningen verdeeld. De universiteiten ,,zijn het er helemaal niet mee eens''. De hogescholen ,,kunnen zich er redelijk in vinden'' en zien ,,duidelijke verbeteringen''. Aldus woordvoerders van de respectievelijke brancheorganisaties, de VSNU en de HBO-raad.

Bekostiging is een van de talrijke kwesties waar hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs tegenover elkaar staan. De kabinetsplannen kunnen worden beschouwd als een overwinning van het hbo. De hogescholen wilden graag één stelsel voor het hele hoger onderwijs, de universiteiten wilden hun huidige stelsel behouden. Beleidsadviseur Jan-Willem Vos van de HBO-raad: ,,De uitgangspunten zijn gelijk, er is veel uitwisseling van studenten, dan is het handig als je op dezelfde basis rekent''. Volgens de VSNU is sprake van ,,gelijke kappen voor ongelijke monniken''.

De hogescholen zijn blij met de invoering van het fenomeen vaste voet, door Rutte omgedoopt in `onderwijsopslag': een bedrag dat de instellingen sowieso ontvangen, ongeacht het aantal ingeschreven studenten. Dit geld garandeert continuïteit van opleidingen. De universiteiten vrezen grote administratieve rompslomp door de jaarlijkse wijzigingen, en onsamenhangende studietrajecten. Voor dat laatste waarschuwt ook LSVb-voorzitter Kim Toering: ,,Je krijgt makkelijk versnipperde curricula. Dan kom je als filosofie-student in een andere stad en dan zeggen ze daar: Plato hebben we al lang gehad!''