Oud boschmannetje

In de zomer van 1932 kreeg de Nederlandsche Commissie tot Internationale Natuurbescherming verontruste brieven van burgers omdat er op Sumatra gejaagd zou worden op de Orang Pendek, de `dwerg-boschmenschen op Sumatra'. Dat dient voorkomen te worden!

Aanleiding tot het tumult was een bericht, onder meer in de NRC en het Handelsblad, dat er zo'n bosmannetje `van korte afstand was neergelegd' door de Radja van Rokan, waarschijnlijk met een mausergeweer. Een kind nog was het, van 43 centimeter, maar geen zuigeling meer. De moeder was ontkomen, meldde de NRC van 19 juni 1932. ``De orang pendeks leven boven op de bergen, alleen in den regentijd komen ze wat lager om vischjes te vangen.''

Nu er op Flores echte resten van een kleine mensensoort zijn gevonden, de Homo floresiensis (95.000 tot 13.000 jaar oud), kunnen deze oude berichten rekenen op nieuwe belangstelling. Het gemeentearchief Amsterdam heeft daarom een fascinerend dossiertje over deze affaire op haar website gezet (www.gemeentearchief.amsterdam.nl).

De affaire vindt overigens een spoedig einde in een berichtje in de NRC van 2 juli: volgens de Britse antropoloog Sir Arthur Keith gaat het hier om een lichaampje van een jonge slankaap, waarvan het staartje is afgehakt. `Einde van de Orang letjo-geschiedenis', kopte de NRC.

Dr. Gert van den Bergh, verbonden aan het NIOZ op Texel, is nauw betrokken bij het onderzoek naar de Homo floresiensis, de verrassende dwergvorm van Homo erectus. Hij is een van de auteurs van de artikelen hierover in Nature (28 oktober). Hij komt al jaren op Flores en spreekt de taal Bahasa Indonesia. Al die tijd hoorde hij er verhalen over bosmensjes, en al die tijd schonk hij er weinig aandacht aan. ``Maar nu we deze H. floresiensis hebben gevonden, ben ik daar anders over gaan denken'', zo vertelt hij. ``Over al die andere verhalen kan ik niet oordelen, er wordt zo veel verteld, maar wat ik op Flores hoor is toch zo gedetailleerd dat ik het nu wel serieus neem. Belangrijk vind ik ook dat de mythische elementen erin ontbreken.''

Op Flores, in het district Nada, wordt in een dorpje verteld over de Eboe Gogo: kleine harige mensjes, die waggelend liepen en voedsel stalen uit de huizen en van het veld. Ze communiceerden in een murmelend taaltje, ``dat mijn zegslieden nog altijd kunnen nadoen'', aldus Van den Bergh. Aan het contact kwam een einde toen de mensjes een baby stalen. Dat ging te ver. De dorpelingen trokken op naar de grot – onbereikbaar hoog in de vulkaanwand – waar de Eboe Gogo (letterlijk: `vraatzuchtige oma's') woonden. Ze gaven de mensjes met stokken eetbare planten aan die deze dankbaar aanpakten. Toen de grot bijna helemaal vol lag, gooiden de dorpelingen er vuur bij en vrijwel alle Eboe Gogo verbrandden. ``Maar volgens sommige zegslieden zijn er een paar ontsnapt.''

``Deze verhalen zijn minimaal 100 jaar oud'', zo leidt Van den Bergh af uit het feit dat het dorp waar zich dit alles zou hebben afgespeeld rond 1900 verplaatst is. ``Bij onze volgende expeditie gaan we zoeken in grotten op onherbergzame plaatsen op Flores. De grot uit dit verhaal hebben we helaas niet gevonden, mogelijk door de vele aardverschuivingen op de vulkaan. In die afgelegen grotten is de kans het grootst op nog meer oude resten van de H. floresiensis, maar ook om wellicht recentere aanwijzingen te vinden voor hun bestaan. Je weet maar nooit. Tenslotte is niet zo lang geleden in het Vietnamese oerwoud ook een nieuwe hertensoort gevonden.''