Onderwijs moet nu even niet vernieuwen

Het vernieuwingsvirus is nog steeds niet uitgewoed bij het ministerie van Onderwijs en ook de nieuwe liberale staatssecretaris Rutte is er zwaar door getroffen. De ene stelselwijziging is nog lang niet uitgevoerd of er wordt alweer een andere verordonneerd uit Den Haag.

De universiteiten zijn nog lang niet klaar met de invoering van een nieuwe, op Europees niveau afgesproken bachelor/master-indeling in studieblokken van achtereenvolgens drie en twee jaar. Rutte meent daar nu een geheel nieuw financieringsstelsel bovenop te kunnen stapelen dat is ingesteld op consumptie van jaarlijkse eenheden onderwijs. Elk jaar moet de student opnieuw onderwijs ,,kopen'' bij de instelling van zijn keuze, zodat er een jaarlijkse kijkcijferrace tussen universiteiten ontstaat om studenten.

Voor hogescholen levert dit nieuwe stelsel weinig problemen op. Maar de minder schoolse universiteiten moeten hun studies en hun administraties nog verder moeten omgooien dan ze nu al doen. De structuur van twee afgeronde fasen (bachelor en master) vergroot al de mobiliteit van studenten en de concurrentie tussen universiteiten. Maar die structuur is nog slechts bij 40 procent van de studierichtingen ingevoerd. Colleges moeten aantrekkelijker worden. Wetenschappelijke stafleden die eerst werden afgerekend op de aantallen publicaties, moeten nu worden hergeprogrammeerd op zoveel en zo goed mogelijk onderwijs. Faculteiten moeten schoolser worden met pasklare modules van één of twee maanden en gestandaardiseerde tentamens. Boven de nieuwe administratie van afgeronde bachelors- en mastersblokken komt een extra systeem voor de jaarlijkse in- en uitstroom. Dit biedt grote uitbreidingsmogelijkheden voor niet-wetenschappelijke staven.

De student heeft bij de jaarlijkse beoordeling van universiteiten weinig steun aan het door Onderwijs uitgegeven ,,kennis in kaart'' waarin een aantal inspectiegegevens over universiteiten en hogescholen bij elkaar zijn gebracht. Studenten kunnen daar niet alleen lezen welke universiteit de meeste vrouwelijke hoogleraren heeft maar ook waar de meeste 50-plussers zitten. Dat laatste zal zeker als negatief kenmerk zijn bedoeld maar het zegt niets over het onderwijs. Verder staan er cijfers van studierendement en een niet nader uitgelegde kwaliteitsvergelijking.

De door het ministerie van Onderwijs uitgegeven kwaliteitskaart is een pover instrument voor de meting van kwaliteit. Vergelijking van hele universiteiten heeft geen zin voor iemand die wil gaan studeren, onderlinge vergelijking van faculteiten wel. Maar lang niet alle hoge scores zijn kenmerken van goede kwaliteit. De huidige maatstaf van een hoog studierendement kan duiden op goed onderwijs of op gemakkelijke tentamens. Een hoge jaarlijkse instroom van studenten kan duiden op goede colleges of op geweldig amusement.

Beter dan aan de zoveelste vernieuwing te beginnen zou de staatssecretaris pas op de plaats kunnen maken. De invoering van gestandaardiseerde bachelors- en mastersblokken vergroot al de overstapmogelijkheden. Vijf jaarlijkse blokken voegen daar niets aan toe. De kwaliteit is niet gebaat bij een universitaire schoonheidswedstrijd voor studenten of een zo hoog mogelijke productie van universitaire diploma's. Veel belangrijker is wat de studenten in hun loopbaan na hun studie bereiken. Het kost veel tijd om een goede opleiding te ontwikkelen en een goede opleiding heeft meer dan een jaar nodig om zich te bewijzen. Vernieuwen moet nu even niet aan de orde zijn.