Moderne kunst is nodig, voor onze musea, voor onze kunstenaars en voor ons

Nederlandse musea jagen uitsluitend op hoge aantallen bezoekers en vergeten daarbij het belang van de kunst zelf. Internationaal tellen onze musea niet meer mee, Nederlandse kunstenaars vinden geen plaats. Het is een Hollands misverstand dat kunst er alleen toe doet als iedereen die kunst moeiteloos mooi vindt.

De Nederlandse musea bevinden zich in een identiteitscrisis. Ze lijken niet te weten waar hun eigenlijke taak ligt: bij kunst of bij entertainment. Het ziet ernaar uit dat het entertainment het gaat winnen van de kunst. Twee voorbeelden. Museum Boijmans van Beuningen heeft sinds september een nieuw programma voor het publiek, Arts & Pleasure. Wie ,,op een bijzonder manier kunst wil beleven'', zo is te lezen op de website van het museum, kan ,,meedoen aan de Rotterdamse kunstquiz, zijn mening laten horen tijdens symposia en debatten, of gewoon lekker documentaires van bekende kunstenaars komen bekijken''. Recente Arts & Pleasure-evenementen waren een Artsafari naar het terrein van Atelier van Lieshout en een gekostumeerd Rubensbal. Toen tijdens een museumnacht een dj muziek draaide in het museumcafé, stond de 16de-eeuwse glascollectie in de zaal eronder te trillen in de vitrines; de volgende dag bleek dat het glas was verschoven.

Het Kröller-Müller Museum meldt in het jaarverslag dat in 2003 het schitterende bezoekersaantal van bijna 420.000 gehaald was, het hoogste aantal sinds 1997. Dit is vooral te danken, aldus directeur van Evert van Straaten, aan de tentoonstelling Vincent & Hélène (Vincent van Gogh en Hélène Kröller-Müller). Op dit moment is er de expositie De favorieten van Hélène, met als kern het werk van Van Gogh. De inspanningen van het verzelfstandigde rijksmuseum zijn er vrijwel volledig op gericht om middels de Van Gogh-collectie zoveel mogelijk bezoekers binnen te halen. Hiertoe werkt het museum onder andere samen met TRN, Toerisme Recreatie Nederland.

Dit betekent een radicale beleidsomslag. Vanaf eind jaren veertig tot begin jaren negentig had het Kröller-Müller een internationale reputatie als museum van moderne beeldhouwkunst. Vele spraakmakende tentoonstellingen werden gemaakt, van kunstenaars als Blinky Palermo en Bruce Nauman tot thematentoonstellingen als Pier and Ocean. Daarnaast was er in het oude deel van het museum een vaste opstelling van het werk van Van Gogh.

Sinds het aantreden van Van Straaten heeft het expositiebeleid in inhoudelijk, artistiek opzicht zijn betekenis verloren. Voor kunstliefhebbers die het werk van Van Gogh kennen valt er in het Kröller-Müller niets meer te halen. De bezoekcijfers lijken Van Straaten in zijn commerciële strategie gelijk te geven. Een paar jaar geleden toonde het Kröller-Müller bij wijze van uitzondering een overzicht van de bekende Amerikaanse kunstenaar Dan Graham. Aan de organisatoren van deze tentoonstelling, Marianne Brouwer en Corinne Diserens, werd onlangs door Nederlandse kunstcritici de AICA-oorkonde voor de beste tentoonstelling van de afgelopen drie jaar uitgereikt. Maar juist in dezelfde periode bereikte het bezoekersaantal van het museum een dieptepunt.

De Nederlandse musea, zowel op het gebied van moderne als oude kunst, hebben collectief de omslag gemaakt van kunstbeleid naar entertainment. Tot zo'n vijftien jaar geleden was het feit dat de musea de beheerders zijn van cultureel erfgoed voldoende om hun bestaan te rechtvaardigen. De opvatting dat de zorg voor de kunst, ook voor de hedendaagse kunst, van wezenlijk maatschappelijk belang is, werd door de politiek breed gedragen. Maar sinds de jaren negentig wordt het maatschappelijk leven bepaald door economisch rendement. Cultuur en economie zijn één en hetzelfde ding geworden. Musea moeten nu hun bestaan rechtvaardigen door hoge bezoekersaantallen. Ondertussen voert de overheid de grootste bezuinigingen ooit op kunst en cultuur door. In een commerciële cultuur wordt de positie van de kunst (van alle kunsten) vanzelf gemarginaliseerd.

Het verbazingwekkende is dat er tot op heden geen één museum het bestaan als kunstinstelling, en daarmee het belang van de kunst, heeft verdedigd. Integendeel: de musea doen massaal een knieval voor het anti-elitarisme en het anti-intellectualisme dat in ons land hoogtij viert. `Hoge' cultuur, kunst waarvoor je je een beetje moet inspannen of waarvoor maar de geringste kennis is vereist, wordt beschouwd als elitair en arrogant. Daarom doen de musea hun uiterste best zich zo `laag' mogelijk te gedragen.

Jan Willem Sieburgh (53) is zakelijk directeur van het Rijksmuseum; tot voor kort was hij directeur en mede-eigenaar van een groot reclamebureau. Afgelopen zomer zette hij in een interview in deze krant zijn ideeën over het museum uiteen. Instemmend citeerde hij een reclamemaker die het Rijsmuseum omschrijft als `een esthetisch tankstation met een mentale wasstraat'. Hiermee wilde hij zeggen dat het museum een plek is waar mensen even weg zijn uit de hectiek van het dagelijks leven en waar ze de dingen in een ander perspectief kunnen zien. Het museum als artspa (uit hetzelfde interview). Het nadenken over zingeving is een trend van deze tijd, betoogde Sieburgh. Kijk maar naar Madonna, die nu Esther heet, zei hij, zij is geen material girl meer en geen sexual girl, maar een spiritual girl. En Madonna voelt de tijdgeest heel goed aan.

Hier klinkt een echo door van de ideeën van Stephan Hodes, marktonderzoeker en adviseur bij het consultancybureau voor de culturele sector Leisure & Arts. Een groot deel van de Nederlandse musea laat zich adviseren door Hodes. Het ligt voor de hand dat het Arts & Pleasure-programma van Boijmans ook uit Hodes' hoge hoed komt. Hodes zei onlangs in een interview dat hij ,,twee gelijke ontwikkelingen ziet. Verpretting én verstilling. De onzekerheid van het bestaan wordt alleen maar groter. Dus zal de vraag naar contemplatie en verstilling alleen maar toenemen.''

Uiteraard is er helemaal niets op tegen dat mensen in het museum even weg zijn uit de hectiek van het dagelijks leven en nadenken over zingeving. Zingeving heeft inderdaad alles met kunst te maken. Het is alleen de vraag of de spiritistische Madonna-trend ook iets met kunst te maken heeft. Nog los van het feit dat hoge bezoekersaantallen moeilijk zijn te verenigen met de wens om even verlost te zijn van hectiek. Met andere woorden: kunnen kunst en entertainment samengaan? Volgens het Rijksmuseum, en vele andere musea, wel. Daarom hollen ze om het hardst om aan de rendementseisen van de overheid te voldoen en organiseren ze de ene blockbuster na de andere. Het kan niet plat genoeg. Bloemen van verlangen (vier eeuwen bloemen in de kunst), Vier eeuwen vis in de kunst, De nachtelijke uitspattingen van jonge kunstenaars, het is maar een greep. En waar de musea het ook gloeiend over eens zijn: er moeten pakkende verhalen worden verteld en er moeten dramatische, sensationele opstellingen worden gemaakt.

Dit alles verdraagt zich slecht met de kunst. Beeldende kunst ís meestal niet verhalend. En een kunstwerk laat zich kennen na inspanning van de kant van de beschouwer, in wat vaak een langzaam en niet zo gemakkelijk proces is. Dit moet er de reden voor zijn dat solotentoonstellingen in musea voor moderne kunst een zeldzaamheid zijn geworden. (Een uitzondering is museum De Pont in Tilburg, dat als particuliere stichting niet afhankelijk is van overheidsgelden en zich dus niet zo druk hoeft te maken over bezoekersaantallen. Ook het Van Abbe in Eindhoven geeft zalen aan afzonderlijke kunstenaars, al is het hier nog afwachten hoe het beleid zich onder de nieuwe directeur, Charles Esche, zal ontwikkelen.)

Een solotentoonstelling is voor de beschouwer de beste manier om het werk van een kunstenaar te leren kennen. Tot zo'n vijftien geleden was het gebruikelijk dat musea aan een kunstenaar de ruimte gaven om zelf zijn tentoonstelling te maken. Het tonen van het werk, het scheppen van een context waarin het werk begrepen kan worden, is voor veel kunstenaars een wezenlijk deel van de artistieke praktijk. Maar kennelijk vinden museumdirecteuren het niet meer van belang om dergelijke exposities te organiseren. Het is maar goed dat in Nederland het buitenland zo dichtbij is, want over de grens, in het Roergebied, in Parijs, Londen, Bazel, overal worden voortdurend belangrijke solotentoonstellingen gemaakt. En niet alleen in de grote steden en de grote musea. Provinciale musea in bijvoorbeeld Krefeld en Kleef organiseren exposities van internationaal toonaangevende kunstenaars, zoals Bridget Riley, Eric Fischl, Richard Artschwager, Mario Merz, Richard Long en Giovanni Anselmo. Dat het ook in ons land mogelijk is om met beperkte middelen goede tentoonstellingen te maken blijkt trouwens uit het beleid van De Hallen in Haarlem, sinds het aantreden van Karel Schampers als directeur.

Het idee dat musea hun bestaan alleen kunnen rechtvaardigen door horden bezoekers is een Hollands idee. Maar de opvatting dat kunst alleen van belang is als iedereen die kunst mooi vindt is een vorm van een kortetermijndenken die wel eens heel slecht zou kunnen uitpakken voor onze musea. De Nederlandse musea zijn inmiddels, internationaal bezien, in een isolement geraakt. Ze maken geen deel meer uit van internationale netwerken van musea die het mogelijk maken om samen tentoonstellingen te maken en tentoonstellingen te laten reizen. Daarom gaan belangrijke exposities keer op keer aan onze musea voorbij: Brancusi en Picabia in Parijs, Arte Povera in Londen, er zijn voorbeelden van gemiste kansen te over. Door geen kunstbeleid meer te voeren, en door het kunstminnende publiek van zichzelf te vervreemden, ondermijnen de Nederlandse musea hun positie en verloochenen ze hun eigen raison d'être.

In 1873 publiceerde Victor de Stuers in De Gids een beroemd geworden pamflet, `Holland op zijn Smalst'. Het was een vlammende aanklacht tegen de Jan Saliegeest van het Nederlandse volk en tegen de nalatigheid van de overheid op het gebied van kunst en architectuur. Sommige van zijn observaties zijn nu even actueel als toen. Bijvoorbeeld wanneer hij schrijft dat voor de meeste Nederlanders, ,,wier dagelijkse lectuur de beursnotering is'', ,,men zich getroosten moet met cijfers aan te tonen dat ook kunsten en wetenschappen een batig slot zullen afwerpen; een batig slot, niet bestaande in nationale roem, ontwikkeling der ziel, beschaving der zeden en dergelijke mooie zaken meer, maar een echt tastbaar slot, in baar geld, in guldens Nederlands courant''. Nederlanders kennen wat de kunst betreft buiten Rembrandt, Van Gogh en Appel geen nationale trots. Wij doen niet aan grands projets, dat is maar uiterlijk vertoon en geldverslindende dikdoenerij.

De Stuers: ,,Men moet musea bezitten, waar onze kunstenaars kunnen komen studeren; musea zijn voor de kunst wat bibliotheken, observatoria, nosocomia en laboratoria voor de wetenschap zijn''. Dat kunstenaars in musea kunnen komen studeren, daar houdt allang niemand in de museumwereld en in de politiek meer rekening mee. Maar het is waar: kunstenaars hebben musea nodig om zich te verdiepen in de geschiedenis van de kunst, om hun positie ten opzichte van die geschiedenis te bepalen, en om op de hoogte te blijven van wat er gaande is. De Nederlandse musea vervreemden niet alleen hun eigen publiek, maar ook de Nederlandse kunstenaars van zichzelf.

Niet alleen hebben kunstenaars de musea nodig, de musea hebben ook de kunstenaars nodig. Hier is het net als elders in de maatschappij: kunstenaars worden behandeld als consumptieartikelen. Gedurende hooguit drie jaar zijn ze een hype en dan is het voorbij. Ze worden daarna niet meer door de musea gevolgd. Nederlandse kunst is, afgezien van nieuwe jonge ontdekkingen, zelden of nooit in de musea te zien. Maar wie zijn eigen voedingsbodem veronachtzaamt, brengt uiteindelijk zijn voortbestaan in gevaar.

Ook wat dit betreft is de praktijk in buitenlandse musea heel anders. Een voorbeeld: op de Biënnale van Liverpool van dit najaar zijn twee van de drie hoofdtentoonstellingen gewijd aan Engelse kunst. Schaamteloze promotie zou je kunnen zeggen. Kan zijn, maar het werkt wél. Voor Britse kunst is overal belangstelling. Als de Nederlandse musea de Nederlandse kunst niet promoten, wie doet dat dan wel? Er wordt hier goede kunst gemaakt. Op dit moment bieden twee schilderkunsttentoonstellingen, de John Moore's tentoonstelling in het Walker-museum in Liverpool en de tentoonstelling van de Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst in het paleis op de Dam goed vergelijkingsmateriaal. We hoeven ons beslist niet te schamen voor onze kunst. Maar die kunst kan pas écht wat worden, kan pas internationaal een rol spelen, als er steun voor is.

Een vurige verdediging van de kunst, van de eigen kunst in de eerste plaats, is broodnodig. Alleen dan kan een doeltreffend antwoord gegeven worden op het destructieve overheidsbeleid. Dit is wat het merendeel van de meeste Nederlandse musea ontbeert: een visie op de kunst, en de durf om het bestaan van de kunst tegen de politiek te verdedigen. En hoe zit het met dat elitaire? Toen ooit aan Lucebert werd gevraagd of hij vond dat kunst een zaak van de elite is antwoordde hij: ,,Jazeker, van de elite van de geest, maar daar kan in principe iedereen toe behoren.'' En zo is het precies.

Janneke Wessling is kunsthistorica en kunstcritica van deze krant. Onlangs verscheen haar boek `Het museum dat niet bestond'.