Kennedy-museum als moralistisch pamflet

Ellen de Bruin loopt in Dallas rond in het herdenkingsmuseum voor John F. Kennedy en weegt de kansen van de Democraten.

De laatste vijftig jaar zijn er maar twee perioden geweest waarin het de Democraten lukte de Amerikaanse verkiezingen te winnen. Als je een kaart van de States zou nemen voor elk van de verkiezingsjaren, en je kleurt de staten waar de Republiekeinen wonnen rood en die van de Democraten blauw, zie je meteen dat de Amerikaanse geschiedenis een grote rode Republikeinse golf is met wat kleine blauwe Democratische vlekjes. Die werden alleen wat groter ten tijde van John F. Kennedy en Bill Clinton.

Op de tentoonstelling The Living Room Candidate in Dallas hangen ze, die ingekleurde landkaarten. De tentoonstelling draait eigenlijk om de televisiespotjes van alle presidentskandidaten vanaf 1952 tot nu. Die zijn best grappig, vooral de vroegste campagnespotjes, uit de tijd dat ironie en zelfreflectie nog niet uitgevonden leken en in de begintitels van de filmpjes een lettertype werd gebruikt dat wij uit de oude Mickey Mouse cartoons kennen. Maar wat vooral beklijft zijn die kaarten van Amerika: al dat rood, en de enorme blauwe onderbreking daarvan in 1964, een jaar na de dood van JFK. Zijn opvolger Johnson won toen in 44 van de 50 staten. Niet toevallig, natuurlijk, dat dat zo de aandacht trekt.

The Living Room Candidate is ingericht op de zevende verdieping van het Sixth Floor Museum, het herdenkingsmuseum voor John F. Kennedy in Elm Street, dat dit jaar vijftien jaar bestaat. De zesde verdieping, dat is de verdieping waarvandaan Lee Harvey Oswald Kennedy op 21 november 1963 neerschoot. Nu is er een permanente JFK-expositie. Voor het raam waar Oswald zat is een stapel kartonnen dozen neergezet; je kunt je voorstellen hoe hij zich er verstopt moet hebben, tussen de boeken van de Texas School Book Depository, met zijn per postorder bestelde geweer van $12,78. Het raam kijkt uit op de `grassy knoll' langs de straat waar Kennedy's auto reed. Op die straat geven twee op het wegdek geschilderde kruisen het punt aan waar de campagne-auto van de president op herverkiezingstournee zich bevond toen hij werd beschoten.

Dallas wil duidelijk alles, alles bewaren dat met de aanslag te maken heeft, op het kinderlijke af. In het museum liggen handboeien die Oswald nog heeft omgehad, de lay-out van de geplande feestelijke voorpagina van de Dallas Times Herald van 22 november, de oude western-hoed van een van de Texaanse politieinspecteurs. Maar de expositie is in eerste instantie een liefdevol, positief eerbetoon aan JFK en zijn gedachtegoed. Zijn buitenlandse vredespolitiek en zijn streven naar rassengelijkheid worden ingezet om een mooie boodschap van vrede en tolerantie over te brengen. Hij is dood en daar kunnen we van leren.

JFK's overlijden dus wordt het breedst uitgemeten, want dat is wat er nu eenmaal met messiassen gebeurt. Na een kort overzicht van Kennedy's regeringsperiode en de aanloop daartoe brengt de expositie de rit door Dallas van seconde tot seconde in kaart, met tekst, foto's, film, maquettes, wat al niet – zonder dat overigens het fatale schot ergens expliciet getoond wordt. Er zijn kinderen onder de museumbezoekers, dus de beroemde Zapruder-video gaat op het moment supreme beleefd – en indrukwekkend – op wit. Wel is de moord op Oswald op film te zien, die twee dagen na de aanslag zelf werd doodgeschoten door nachtclubeigenaar Jack Ruby.

Het bizarre verhaal wordt helder verteld. Het museum heeft niet veel plek ingeruimd voor de diverse samenzweringtheorieën – wie daar nog steeds geen genoeg van heeft kan naar het Conspiracy Museum, ook in Dallas, een paar blokken verderop.

De tentoonstelling op de Sixth Floor is, behalve als een Amerikaans moralistisch pamflet, ook heel goed te bekijken als een geschiedenis van de media en de journalistiek. Er hangt een aandoenlijke luchtfoto uit 1962 van gecamoufleerde vrachtwagens op Cuba, die het bewijs moesten vormen dat de Russen daar raketinstallaties bouwden – de `weapons of mass destruction' van de vorige eeuw. Natuurlijk is er een printje van de `wires' van 21 november 1963, waar de journalist die het `breaking news' de wereld in hielp, zijn collega's vanaf schold vanwege de geringe bandbreedte: `GET OFF GET OFF STAY OFF ALL OF YOU AND KEEP OFF' meldt de telex tussen het nieuws over de aanslag door. Verder was het de eerste keer in de geschiedenis dat de landelijke televisie alle programma's onderbrak om nieuws te brengen. De moord op John F. Kennedy was het `9/11' van de jaren zestig.

En het was een collectieve groeiervaring, wil het museum ons graag doen geloven. Maar ach, natuurlijk wordt alles uiteindelijk toch altijd weer zoals vroeger. Na JFK kwamen de Republikeinen bijvoorbeeld snel weer aan de macht. Democraat Johnson won nog in 1964, maar in 1968 had Republikein Nixon alweer tweederde van de staten achter zich en in 1972 zelfs 49 van de 50 – een grotere overwinning dan die van Johnson in het jaar na de moord.

En neem de bezoekers van The Sixth Floor. Die staan het ene moment nog overweldigd en ontroerd naar videobeelden van hun favoriete Amerikaanse president te kijken, ervan overtuigd dat er alleen maar plaats is voor mooie en goede dingen in deze wereld, en het volgende moment staan ze beneden in de museumshop en kopen ze een JFK-koelkastmagneet, een peper- en zoutstelletje in de vorm van de president, of een boek met uitknipbare papieren aankleedpoppetjes van Jackie Kennedy.

The Sixth Floor Museum at Dealy Plaza, 411 Elm at Houston, Dallas, www.jfk.org

Dagelijks geopend van 9-18 uur. Roken, fotograferen en vuurwapens verboden. De tentoonstelling The Living Room Candidate is nog te zien tot 30 januari 2005.