Incasseren tot je erbij neervalt

Universiteiten raken steeds afhankelijker van externe financiering. Het ministerie vindt dat niet erg, maar sommige instellingen denken er anders over.

DE UNIVERSITEIT Twente kampt met een paradox: ze heeft de afgelopen jaren van externe financiers zoveel geld ontvangen dat het geld op is. Tegenwoordig moet de universiteit regelmatig `nee' verkopen aan bedrijven die in Twente onderzoek willen uitvoeren, vertelt Willem te Beest, als lid van het College van Bestuur verantwoordelijk voor de financiën. Ook de enorme pot geld van 800 miljoen euro die het kabinet eind vorig jaar ter beschikking stelde om maatschappelijk en economisch relevant onderzoek te laten uitvoeren door Nederlandse kennisinstellingen moet Te Beest voor een deel aan zich voorbij laten gaan.

Matching heet het paradoxale probleem van de Universiteit Twente: letterlijk bijpassen. Behalve geld van de overheid (de zogenoemde eerste geldstroom) gebruiken alle Nederlandse universiteiten ook steeds meer middelen van bedrijven, de Europese Unie, collectebusfondsen en financiers als NWO en de KNAW (tweede en derde geldstroom). Dit geld wordt echter niet zomaar ter beschikking gesteld. Universiteiten moeten de bedragen die zij van deze externe financiers ontvangen aanvullen met geld uit eigen zak (de eerste geldstroom dus). Op grond van een steekproef onder zes wetenschappelijke instellingen schatte accountant Ernst en Young eerder dit jaar dat universiteiten 0,84 euro bijpassen voor elke euro aan extern geld die ze binnenhalen. Ernst & Young taxeert dat deze vorm van externe financiering intussen 40 à 50 procent uitmaakt van het totale onderzoeksbudget van Nederlandse universiteiten.

salaris

In Twente ligt dit percentage zelfs op 71. ``De grens is bereikt'', zegt Te Beest. ``Externe financiers betalen veelal alleen de kosten van uitvoerend personeel, het salaris van een veelbelovende onderzoeker bijvoorbeeld. Maar als ik een aio [assistent in opleiding] binnenhaal, dan heb ik ook 40 vierkante meter laboratoriumruimte nodig. Daarbij komt nog het facilitair personeel. Onze faculteiten natuurwetenschappen en elektrotechniek werken samen in het instituut Mesa+ dat zich onder meer richt op de nanotechnologie. Daar wordt gewerkt met vijf aio's per vaste stafmedewerker. Meer mensen plaatsen binnen de huidige infrastructuur is eenvoudig niet haalbaar.''

In het rapport `De Prijs van Succes' heeft de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) de problematiek van de matching eerder dit jaar aan de orde gesteld. Volgens voorzitter Joop Sistermans speelt het probleem met name bij technische en medische universiteiten, instellingen die relatief veel onderzoek doen dat economisch relevant is en daarom veel extern geld (kunnen) binnenhalen. Toch heeft ook Bert van der Zwaan, hoogleraar bio-geologie aan de Universiteiten van Nijmegen en Utrecht, ermee te maken gehad. Van der Zwaan is de drijvende kracht achter de oprichting van het zogeheten Darwin Centrum, een instituut dat wordt gefinancierd door de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het Darwin Centrum is een virtueel netwerk bedoeld om het aantal Nederlandse wetenschappelijke publicaties op het raakvlak van biologie en geologie verder te verhogen. NWO heeft het Darwin Centrum 8 miljoen euro toegestopt. De opening van het centrum heeft echter vertraging opgelopen doordat de eis dat deelnemende instellingen samen nog eens 8 miljoen euro moesten matchen te zwaar leek uit te pakken. De officiële opening staat nu gepland voor december.

Volgens het AWT-rapport worden succesvolle onderzoeksgroepen slachtoffer van hun eigen succes, omdat zij niet langer in staat zijn de grote sommen geld te matchen die ze van buitenaf ontvangen. Minister Maria van der Hoeven en staatssecretaris Rutte (Onderwijs) hebben het advies grotendeels naast zich neergelegd, zo bleek eerder deze maand in een debat in de Tweede Kamer. Het Centraal Planbureau heeft de bevindingen van de AWT in twijfel getrokken in een contra-expertise die de minister heeft aangevraagd. Een onderzoeksinstelling hóéft toch geen geld te accepteren van bedrijven en andere externe financiers? Sistermans van de AWT noemt de CPB-analyse kortzichtig. ``Natuurlijk kunnen universiteiten extern geld weigeren, omdat ze niet willen matchen, maar dat kan in de praktijk betekenen dat een kwalitatief mindere groep het onderzoek overneemt.''

Volgens Sistermans dreigt het gevaar dat universiteiten nog uitsluitend onderzoek uitvoeren dat belangrijk is voor bedrijven, terwijl ze hun eigen doelstellingen voor de lange termijn uit het oog verliezen. De minister ziet dat bezwaar nauwelijks. `Als de keuzevrijheid van universiteiten door matchingverplichtingen wordt ingeperkt, dan hoeft dat niet erg te zijn. Het kan ook leiden tot beter en maatschappelijk belangrijker onderzoek', schreef zij op 7 oktober aan de Kamer.

uitgemoord

Van der Zwaan is het daar niet mee eens. ``Universiteiten raken de sturing kwijt'', zegt hij. ``Als je te veel afhankelijk bent van geld van buiten bestaat het gevaar dat onderzoek onderdeel wordt van wetenschappelijke modes. De biologie richt zich tegenwoordig vooral op biomedische applicaties. Daarentegen is de taxonomie zo goed als uitgemoord, terwijl die discipline voor belangrijke vraagstukken rond biodiversiteit toch onmisbaar is.'' Ook Te Beest ziet een grens aan het onderzoek in het maatschappelijk of economisch belang. ``In het afgelopen jaar heb ik zes miljoen euro moeten weghalen bij onze niet-technische faculteiten, omdat we het geld nodig hadden voor matching. Zoiets kun je maar één keer doen. Wij zijn niet alleen een onderzoeksinstelling, ik moet ook denken aan het belang van Twente als onderwijsinstelling.''

Te Beest ziet wel een lichtpunt in de brief van Van der Hoeven. De minister schrijft immers dat ze wil voorkomen dat sterke onderzoeksgroepen door matchingverplichtingen in hun groei bekneld worden. `Dynamisering van een deel van de eerste geldstroom', zou een oplossing kunnen zijn. Onderzoeksgroepen die veel geld van buiten binnenhalen kunnen in de toekomst misschien ook meer overheidsgeld tegemoet zien.

Dat laat de bezwaren van Van der Zwaan onverlet. ``Natuurlijk is er veel voor te zeggen onderzoeksinstellingen te sturen in de richting van maatschappelijk relevante vraagstukken, maar dat is niet het enige wat telt. In de geologie zie je dat er op dit moment veel geld is voor vraagstukken die te maken hebben met het klimaat. Maar alles wat te maken heeft met evolutie op lange termijn raakt ondergesneeuwd. Kennis over de evolutie levert geen geld op. Samen met de natuurhistorische musea proberen we dat vakgebied zo goed en zo kwaad als het kan overeind te houden.''