In de naam van de vader

Er zíjn nog groeimarkten in Nederland, ondanks de vergrijzing en de stagnerende bevolkingsaanwas. Een van de groeimarkten heeft zelfs rechtstreeks met de vergrijzing te maken, en dan hebben we het niet over wat al de `rollatoreconomie' wordt genoemd, maar over het bedrijfsleven zelf.

Naarmate er meer bedrijfseigenaren met pensioen gaan, zal het aantal bedrijfsoverdrachten behoorlijk toenemen. Banken, accountants, advocaten en andere adviseurs hebben de bedrijfsoverdracht al langer in het vizier: de materie is vaak complex en er is, mede door de financiering en alle fiscale voetangels, goed aan te verdienen.

Het meest lucratief voor de adviseur is vaak om de overdracht van een bestaand familiebedrijf aan te grijpen voor een verkoop aan een derde partij, in plaats van het over te laten gaan op de zonen of dochters. Banken en anderen schuimen al jarenlang de bedrijvenmarkt af met dit doel, en menig ondernemer is al ruim voor zijn beoogde pensioen meermalen benaderd om eens te komen praten.

Is de preferentie van de adviesbranche voor een externe koper ook terecht? Ja, zo blijkt uit een onderzoek van de Rabobank, die overigens zelf partij is op deze markt, onder 535 ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf. Door buitenstaanders overgenomen ondernemingen doen het bedrijfsmatig in de jaren daarna veel beter dan bedrijven die na overdracht binnen de familie blijven. Ze zijn ook innvatiever, en hun beroep op vreemd vermogen (leningen) is aanvankelijk wel lager, maar loopt veel sneller op dan bij bedrijven die door derden zijn gekocht. Tegelijkertijd wordt er door die derden een veel hoger bedrag betaald voor het bedrijf dan als het binnen de familie blijft. Een buitenstaander betaalt ruim 40 procent aan goodwill bovenop de activa van het bedrijf. Een overnemend familielid betaalt maar 23 procent.

Al met al ligt er in de praktijk kennelijk een groot economisch voordeel in het verkopen van de onderneming aan een buitenstaander. Maar let ook eens op het immateriële voordeel: geen scheve ogen bij de niet-kopende familieleden over de overeengekomen prijs met zoon- of dochterlief. Geen verdelingsvraagstukken voor nu en later en vooral geen gedoe met verplichte baantjes voor familieleden die bij een gewoon bedrijf zeker niet de eerste keus zou zijn geweest. Het zal niet de eerste keer zijn dat hechte families juist bij dit soort aangelegenheden uiteengereten worden. Afscheid nemen van een bedrijf, een levenswerk, is heel moeilijk. Maar het nog altijd te prefereren boven het vaarwel moeten zeggen tegen een deel van de bloedverwanten.