`Iemand riep iets en mijn wereld stortte in'

`Ik ben nu veel voorzichtiger. Ik raak leerlingen niet meer aan. Ik plak geen pleister meer of geef geen aai over de bol, wanneer een kind gevallen is of huilt. Dan stuur ik zo'n kind door naar een collega. In het Montessori-onderwijs werken de leerlingen vaak voor zichzelf, als leerkracht maak je een rondgang door de klas en sta je bij iedereen even stil. Dat doe ik niet meer. Deze jongen blijft achter zijn tafel zitten. Leerlingen komen nu naar mijn tafel toe met hun werk. Ik denk niet dat dat zal slijten, dit hou ik zolang ik in het onderwijs zit.

Sinds 1972 werk ik in het in Montessori-onderwijs. Eerst als leerkracht, later als hoofd van een school. Op verzoek van het bestuur heb ik een kleine reguliere school in de Amsterdamse wijk Betondorp omgevormd tot Montessori-school, zodat de school kon fuseren met een andere school uit het stadsdeel Watergraafsmeer. Ik werd adjunct-directeur annex locatiemanager van die vestiging in Betondorp.

Eind 2000, vlak voor de kerstvakantie, kwam er een leerkracht naar me toe. In een klasseschriftje, waarin alle leerlingen schrijven hoe het gaat op school, had een meisje geschreven dat ik aan een vriendinnetje van haar had gezeten. Het meisje dat het had geschreven zat in groep acht, elf jaar oud. De directeur werd geïnformeerd. Een dag later zei dat meisje tegen de directeur dat het om haarzelf ging. Ze zei letterlijk: hij heeft aan me gezeten. Heel duister, dat kan van alles zijn.

Twee dagen later moesten we een musical opvoeren, Scrooge. Die hele musical kon me gestolen worden, maar collega's hebben me overgehaald om toch mee te doen. Stond ik daar een beetje vrolijk te wezen en te zingen. Ik speelde drie rollen, ik weet niet meer welke.

De eerste dag na de vakantie ben ik door het bestuur, het dagelijks bestuur van stadsdeel Watergraafsmeer, geschorst. Ze vroegen niets, ze zeiden alleen dat ik geschorst was. Dat was beter voor de zuiverheid van het onderzoek zeiden ze. Om kwart voor tien was ik weer thuis. Lamgeslagen. Ik snapte er niets van. Je krijgt het gevoel dat ze je niet geloven. Ik wist niet wat ik moest doen, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Ik heb mijn vakbond gebeld, die hebben me erg geholpen.

Een paar dagen later diende de moeder van het meisje een klacht tegen mij in bij de klachtencommissie voor het onderwijs. Ook deed ze aangifte bij de jeugd- en zedenpolitie. In een huis-aan-huisblad in Watergraafsmeer verscheen een artikel waarin de moeder zei dat ik aan de borsten van haar dochter had ,,gefriemeld''. Dat ik dat ook bij andere ,,rondborstige meisjes'' had gedaan. Dat ze van de daken zou schreeuwen dat ik niet deugde. De naam van de school werd genoemd, er stond een foto van de school bij. Iedereen in die buurt weet dan over wie het gaat. Wij krijgen dat blad niet, maar een collega van mijn vrouw kwam er mee aan.

Het ergste was dat iedereen over me praatte en dat ik zelf niets mocht zeggen. Ik belde de politie, ik wilde mijn verhaal doen. Dat kon helemaal niet. U bent nog niet aan de beurt, u hoort nog van ons, zeiden ze. Bij de klachtencommissie wilden ze me niet vertellen waar ik nou precies van beschuldigd was. Vreselijk was dat. Ten eerste wist ik niet wat de beschuldiging was, dus ik kon me niet verweren. Maar dan wilde er ook nog niemand naar me luisteren. Niemand wilde mijn verhaal horen.

Er knapte iets. Ik ben een keer 's ochtends om acht uur het huis uitgelopen, en heb de hele dag door de stad gelopen. Ik weet er niets meer van. Mijn vrouw heeft me toen met zachte dwang naar de huisarts en een psycholoog gestuurd. Bij allebei ben ik bijna een jaar wekelijks langs geweest.

Eindelijk kwam de klachtencommissie met de beschuldiging. Ik was met mijn duim langs de borst van het meisje gegaan, volgens de moeder. Op het formulier werd gevraagd wanneer dat was gebeurd. `Dit schooljaar' had de moeder ingevuld. Bij de vraag waar het was gebeurd stond `op school'. Toen ik dat las dacht ik, waar in godesnaam is zo'n klachtencommissie mee bezig? Waarom vragen ze niet om specifiekere antwoorden?

Maar ik was toch opgelucht, want ik kon mijn verweer gaan schrijven. Ik kreeg twee bewijzen van mijn onschuld in handen gespeeld. Op school werd een briefje gevonden van het meisje, waarin ze schreef dat ik het niet had gedaan en dat ze de school haatte. Ze was inmiddels van school vertrokken. Dat briefje lag opeens op haar tafel, heel vreemd. Er kwam ook een schriftelijke verklaring van een klasgenote. Die had van het meisje gehoord dat ze het had verzonnen en dat haar moeder dacht dat het wel was gebeurd. Ik vond het verdomd prettig om dat verweerschrift te schrijven. Dan ben je tenminste gericht met je zaak bezig.

Bij de zitting van de klachtencommissie heeft de moeder haar eigen graf gegraven. Ze was een half uur lang aan het woord, mij werd niets gevraagd. Ze vroegen aan haar waarom ze niet had doorgevraagd aan haar dochter over wat er precies was gebeurd. Doorvragen heeft geen zin want ze wil toch niets zeggen, zei de moeder. Da's natuurlijk niet zo sterk. Ik kreeg een goed gevoel over de afloop.

De volgende dag meldde ik me bij de politie. Ze hadden gevraagd of ik langs wilde komen, ik dacht om mijn verhaal te vertellen. Binnen vijf minuten hadden ze me in een cel gezet. Ik was die dag de grootste crimineel van de wereld en omstreken. Van tien uur 's ochtends tot half elf 's avonds hebben ze me verhoord, af en toe moest ik terug naar de cel. Ik hou van detectives, ik kijk graag naar Baantjer en zo. Daar hebben ze altijd een goede en een kwade agent. Laat ik die nou ook hebben gehad. Toen hij even alleen met mij was, zei die aardige: als je aan die borsten hebt gezeten, is dat toch helemaal niet zo erg, dat kun je wel zeggen.

Aan het eind van de middag kwam er een hulpofficier van justitie langs. Die zei dat ze me nog drie dagen wilden vasthouden. Ik wilde mijn advocaat bellen, dat vonden ze niet nodig, ik moest aandringen. Een maaltijd waren ze vergeten, ik kreeg twee boterhammen, een met kaas en een met worst. Om middernacht stond ik buiten, dat van die drie dagen was om de druk op te voeren. Ik ben er van overtuigd dat als je niet stevig in je schoenen staat dat je onderuit gaat. Je wilt er vanaf zijn. Het was een nachtmerrie, ik wens het mijn ergste vijand niet toe.

De klacht werd ongegrond verklaard, mijn schorsing werd opgeheven. Op een speciale ouderavond werd ik ontvangen met gejuich en zoenen, dat voelde goed. Collega's en ouders hebben me heel erg gesteund, die hielden contact toen ik thuis zat. Het bestuur liet niets van zich horen, ze vroegen alleen na afloop wanneer ik weer ging werken. Nog even niet, zei ik. Die strafrechtelijke zaak liep nog door, dat vond ik heel krom. Ruim een jaar nadat het allemaal begon, in februari 2002, besloot justitie de zaak te seponeren. Officieel was het daarmee afgelopen.

Maar voor mijn rechtsgevoel was het nog niet klaar. Iemand heeft iets geroepen, en mijn wereld stortte in. Dat heeft mij en mijn omgeving meer dan een jaar heel erg beziggehouden. Dat kan ik niet laten lopen. Nu ben ik het, morgen is het een collega. Blijkbaar zijn er in Nederland regels die dat toelaten.

Daarom ben ik een civiele procedure tegen de moeder begonnen. Ik wilde de erkenning dat mij schade is aangedaan. Schade aan mijn reputatie, voor het uitoefenen van mijn beroep, in mijn dagelijks leven. Na veel uitstel kwam er deze zomer eindelijk een uitspraak, in mijn voordeel. De moeder moet mij een schadevergoeding betalen.

De hoogte van het bedrag zeg ik niet, omdat het geen enkele rol speelt. De genoegdoening zit niet in één euro of 10.000 euro, die zit in de uitspraak. Ik vind het belangrijk dat deze jurisprudentie er nu ligt. Bovendien is het de vraag of ik er ooit één euro van zal zien, want de moeder beweert dat ze onvermogend is. Maar ik zal niets nalaten om haar het vuur na aan de schenen te leggen. Ik ga tot aan het gaatje. De deurwaarder is al bij haar langs geweest.

Ze moet hieraan voldoen, hoe dan ook. En als ze haar inboedel moet verkopen, ga ik er op straat bij staan kijken. Dat lijkt wraakzuchtig, maar zo zie ik dat niet. Ze heeft mij onrecht aangedaan en daar mag ze niet mee wegkomen. Als ze had gewild, had ze de procedure makkelijk kunnen stopzetten. Dat heeft ze niet gedaan, ze is doorgegaan tot het einde. Daarom ga ik nu ook door.

Het meisje neem ik niet veel kwalijk, ze kan er in principe niets aan doen. Ze had een hekel aan me, waarschijnlijk omdat ik haar kort daarvoor had bestraft. Ze hoorde bij een lastig groepje. Dat meisje heeft hulp nodig. Misschien was het voor haar een schreeuw om hulp, en heeft de moeder daar verkeerd op gereageerd. Ik denk dat het meisje al snel spijt kreeg, dat ze daarom dat briefje heeft laten opduiken. Ze was ergens aan begonnen en wist niet meer hoe ze het kon terugdraaien. De moeder is verantwoordelijk, die had haar dochter moeten dwingen tot eerlijkheid. Die dacht alleen maar: ik zal die viezerik krijgen, al moet ik het van de daken schreeuwen.

Drieëneenhalf jaar ben ik er mee bezig geweest. En nu komen de emoties weer naar boven, omdat ik het in de publiciteit breng. Dat doe ik vooral omdat ik wil laten zien dat die klachtenregeling niet deugt. In onze Grondwet staat dat je onschuldig bent totdat het tegendeel is bewezen. Bij die klachtencommissie is het andersom. Dat is het kromme in het geheel. Wat ook niet klopt is dat er geen middenweg mogelijk is. Elke klacht wordt op dezelfde manier behandeld. Je zou vage klachten met veel meer wantrouwen moeten behandelen, daar moet niet standaard de hele procedure op los worden gelaten. Als we in een vroeg stadium met alle betrokkenen rond de tafel waren gaan zitten, was de waarheid waarschijnlijk snel boven water gekomen. Dan had veel schade voorkomen kunnen worden.

Maar het meest frustrerende is dat je als beklaagde nergens terecht kunt. De klager wordt aan alle kanten bijgestaan. Als beklaagde ben je machteloos. Je kunt je niet verweren, want je weet niet waar je van beschuldigd wordt. Als je weet dat je onschuldig bent, maar niemand wil naar je luisteren, daar word je gek van. Er moet meer aandacht komen voor degene die van zoiets wordt beschuldigd.

Ik vind het nog steeds leuk in het onderwijs. Ik ga nog met plezier naar school. Alleen niet meer naar de locatie waar het gebeurd is, daar kom ik zo min mogelijk. M'n auto is daar al een keer beschadigd, die zet ik nu minimaal een kilometer verderop. Veel mensen snapten niet dat ik terug wilde naar dezelfde school. Dat wilde ik per se. Om te bewijzen dat ik niets heb gedaan. Als ik naar een andere school was gegaan zouden ze zeggen: waarom komt hij niet terug, zou er toch iets zijn?'