Grasmus

De tuin bij landgoed De Lindenhof langs de Hollandse IJssel is eeuwenoud. Het heet hier Linschoterdijk. Ginds de toren van Montfoort, verderop Oudewater met de Heksenwaag. De herfsttakken van de fruitbomen buigen door. Diep verborgen in een dichte haag, af en toe even te voorschijn komend, scharrelt de grasmus (Sylvia communis). Het is een dartele zanger met opvallend oranjebruine of ook roestrode vleugels. De buitenste staartpennen hebben een zogenoemde witte `buitenvlag', de zijkant dus. Een grijze kop, witte keel en daaronder een rossige borst. Het is een parmantig vogeltje, waarvan de lange staart het eerste opvalt. In oktober trekt de grasmus, die broedt in ons land, weg naar tropisch Afrika, naar de savanne met struikgewas. Tussen doornige struiken voelt hij zich het veiligst. In de zangvlucht danst het mannetje op en neer in de lucht. De vogel is een telg van de rijk met liedkunsten begiftigde familie der Sylviinae. Tot de andere leden behoren zangers met tot de verbeelding sprekende namen als sperwergrasmus, Orpheusgrasmus, Sardijnse grasmus, Provençaalse grasmus en brilgrasmus. Het lied van de gewone grasmus is druk, krassend, soms zelfs rauw, driftig en scheldend. Het klinkt als tsjarr, twèhd, twèdh, wid-wid-wid en ook watsj en tèk-tèk. Net een kleine heks, onze grasmus.

Illustratie:

Rein Stuurman (Zien is kennen!)Tekst:

freriks@nrc.nl